Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het betreft daarbij zowel het roerend als onroerend erfgoed. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 ingaat, maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Voor het onroerend cultureel erfgoed zijn deze wetten van grote betekenis. Het deel van de Monumentenwet 1988 dat direct raakt aan de fysieke leefomgeving gaat op in de Omgevingswet. Het resterende deel van de Monumentenwet is opgegaan in de nieuwe Erfgoedwet. De Erfgoedwet voorziet ook in het nodige overgangsrecht, zodat artikelen uit de Monumentenwet tussen 2016 en 2021 niet zo maar komen te vervallen (bijlage 2).
De Erfgoedwet en de Omgevingswet regelen de zorg voor ons bodemarchief en zijn de vertaling van het Verdrag van Malta, dat Nederland in 1992 ondertekende. De essentie van deze wetgeving is dat waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden blijven. In een zo vroeg mogelijk stadium van de ruimtelijke planvorming dient daarom rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Wanneer behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk blijkt, geldt het zogenaamde het ‘veroorzaker-betaalt-principe’.
Al sinds 2007 (ingang Wet op de Archeologische Monumentenzorg; bijlage 2) zijn de gemeenten in overwegende mate verantwoordelijk voor het behoud van het archeologische erfgoed. De archeologie werd een verplicht en geïntegreerd onderdeel van het ruimtelijke besluitvormingsproces. Vanaf die tijd moest bij de ruimtelijke besluitvorming ook het archeologische belang worden afgewogen tezamen met andere belangen. Samenhangend met de specifieke verantwoordelijkheid voor de inrichting van het grondgebied lagen, volgens de logica van deze wet, op gemeentelijk niveau immers de meest praktische mogelijkheden om de kwaliteit van de leefomgeving te handhaven of te versterken.
Een eigen beleid voeren voor de archeologische monumentenzorg heeft voordelen. De gemeente kan zelf het initiatief nemen, de regie voeren en efficiënter omgaan met de ruimtelijke inrichting. Om optimaal gebruik te kunnen maken van deze voordelen, is het ontwikkelen van een eigen archeologiebeleid noodzakelijk.
Al heel snel na het ingaan van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in 2007 hebben de Parkstadgemeenten en de gemeente Nuth (die toen nog geen deel uitmaakte van Parkstad), de krachten gebundeld om een eigen grensoverschrijdend archeologiebeleid te ontwikkelen. In eerste instantie heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau een uitgebreid bureauonderzoek uitgevoerd (Verhoeven, 2007). Samen met het uitgebreide rapport heeft RAAP een serie kaarten vervaardigd, waaronder de archeologische verwachtings- en advieskaart. Op 19 december 2013 heeft de gemeenteraad van Simpelveld de geactualiseerde ‘archeologische verwachtings- en beleidskaart Simpelveld’ vastgesteld. De kaart vormde een stevige handreiking bij het invullen van het gemeentelijke archeologiebeleid in de sfeer van de ruimtelijke ontwikkeling. Omdat de gemeente als bevoegde overheid beslissingsbevoegdheid heeft over archeologische belangen binnen de ruimtelijke ordening, hebben de parkstadgemeenten in 2011 een regioarcheoloog aangesteld. Met een samenwerkingsverband tussen de Parkstad Limburg gemeenten wordt geïnvesteerd in gemeentegrensoverschrijdende kennis, identiteit en kwaliteit. Dit heeft een aantal grote voordelen. Er wordt geïnvesteerd in regionale identiteit, kennis en lobbykracht, met oog voor de lokale identiteit en de ontwikkeling van een gezamenlijk en uniform beleid met ruimte voor maatwerk per gemeente. Een regio-archeoloog kan met zijn deskundigheid eerder inschatten waar (hoge) verwachtingen van archeologische waarde zijn, waardoor archeologisch advies op maat geleverd kan worden. Er is winst in kennisopbouw en grote winst in afbreukrisico bij bouwprojecten. Bij de keuze tot extern archeologisch onderzoek kan een kwalitatief goede opdracht gemaakt worden en kan het externe rapport op zijn merites beoordeeld en naar gemeentelijk beleid doorvertaald worden. De kans op bestuurlijke risico’s en ingrijpen van hogere overheden wordt hierdoor aanmerkelijk verkleind. Samenwerking vermindert de kwetsbaarheid in geval van solitaire functies. Bovendien is het klantvriendelijk: burgers en overheid krijgen sneller en adequater antwoord op vragen en worden verder geholpen bij de omgevingsvergunning e.d.
Daarnaast is het ‘in huis hebben’ van een regioarcheoloog kostenbesparend voor de betrokken gemeenten. Een regio-archeoloog op Parkstadniveau is uiteraard goedkoper dan dat iedere gemeente een eigen archeoloog in dienst neemt. Bundeling van expertise is financieel aantrekkelijk omdat niet alles meer uitbesteed hoeft te worden en procedures minder tijd in beslag nemen. In de praktijk betekent dit dat alle toetsopdrachten zoals het toetsen van Programma’s van Eisen (PvE) en het toetsen van archeologische rapporten door de regioarcheoloog zelf gedaan worden. Met het aanstellen ven een regioarcheoloog is ook een kwaliteitsslag gemaakt, waardoor onnodige onderzoeken niet meer gedaan hoeven te worden.
Hoofdstuk 1
Artikel 1.1