Naar hoofdinhoud
Toevalsvondsten betreffen archeologische resten die ontdekt worden tijdens niet archeologische graafwerkzaamheden. Door de keuzes die de gemeente in onderhavige beleidsnota maakt, probeert de gemeente echter de kans op het aantreffen van toevalsvondsten zoveel mogelijk te beperken. Toch is het niet ondenkbaar dat tijdens graafwerkzaamheden onverhoopt archeologische resten worden ontdekt. Welke werkwijze dient er dan gevolgd te worden? Voor toevalsvondsten bestaat een meldingsplicht (Erfgoedwet, art. 5.10): “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologisch monument is, meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister.” Het doel van de meldingsplicht is onder andere om de informatie over het bodemarchief in het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) up-to-date te houden. Daarvoor dient de toevalsvondst aangemeld te worden bij de regioarcheoloog Parkstad. Als de toevalsvondst behoudenswaardig wordt geacht, kan het werk worden stilgelegd. In de praktijk legt de minister alleen het werk stil bij toevalsvondsten van nationaal belang. Indien de toevalsvondst niet van nationaal belang is, kan de gemeente actie ondernemen. Zij zal bepalen of de vondst wel van regionaal of provinciaal belang is en in overleg met de initiatiefnemer bepalen hoe verder te handelen. Men kan ook (gemotiveerd) besluiten om de toevalsvondst verloren te laten gaan. Indien de verstoorder aan al zijn wettelijke verplichtingen ten aanzien van archeologisch onderzoek heeft voldaan, kunnen de kosten die gemoeid zijn met het verder onderzoeken van een toevalsvondst niet verhaald worden op de initiatiefnemer. De gemeente is in dit geval een tegemoetkomende rol toebedeeld en zal de kosten voor haar rekening nemen (eventueel samen met Rijk, Provincie). Met andere woorden: als de verstoorder geen onderzoeksplicht heeft omdat de bodemingreep binnen de ondergrenzen valt, maar er tijdens de graafwerkzaamheden wel archeologische resten worden ontdekt, ligt het risico bij de gemeente en niet bij de verstoorder. Een toevalsvondst komt in gelijke delen toe aan de vinder én de eigenaar van de roerende of onroerende zaak waarin deze is aangetroffen (artikel 13 van boek 5 van het Burgerlijk wetboek). De vondst hoeft dan ook niet aangeleverd te worden bij het provinciaal depot.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel