de gezamenlijke oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer bedraagt dan:
in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied,
in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2, echter met dien verstande dat het college op grond van een positieve stedenbouwkundige beoordeling voor tijdelijke bebouwing voor huisvesting in verband met mantelzorg een grotere oppervlakte kan toestaan tot ten hoogste 90 m2,
in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2,
op bouwpercelen binnen de bebouwde kom met een bebouwingsgebied groter dan 900 m2: maximaal 150 m2, echter met dien verstande dat het college op grond van een positieve stedenbouwkundige beoordeling een grotere oppervlakte kan toestaan tot ten hoogste 20% van het bebouwingsgebied.
bij een uitbreiding ter vergroting van het hoofdgebouw het bouwplan inclusief hoogtematen stedenbouwkundig positief wordt beoordeeld;
bij een aan- of uitbouw, aangebouwd bijgebouw of aangebouwde overkapping de goothoogte niet hoger is dan de eerste volledige bouwlaag boven het maaiveld, maar maximaal 4 meter, en de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 5 meter;
bij een vrijstaand bijgebouw of vrijstaande overkapping de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 meter, en de bouwhoogte niet meer bedraagt dan:
5 meter bij een schuin dak;
3 meter bij een plat dak of overkapping.
** 5. .** Een uitbreiding van een woning door middel van een kelder, mits:
het geen recreatiewoning betreft;
de kelder geheel of gedeeltelijk is gelegen onder de woning en de oppervlakte van de kelder niet groter is dan de oppervlakte van de woning;
voorschriften ten aanzien van monumentenzorg en archeologie zich niet tegen de onderkeldering verzetten;
onderkeldering geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding.
** 6. .** Uitbreiding van een woning ten behoeve van huisvesting in verband met mantelzorg of aangepast wonen ten behoeve van de bewoner, mits:
de oppervlakte voor huisvesting in verband met mantelzorg maximaal 100 m2 bedraagt en de uitbreiding niet strijdig is met overige oppervlaktebepalingen die in deze beleidsregels zijn opgenomen;
bij een aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw de goothoogte niet hoger is dan de eerste volledige bouwlaag boven het maaiveld, maar maximaal 4 meter, en de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 5 meter;
bij een vrijstaand bijgebouw de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 meter, en de bouwhoogte niet meer bedraagt dan:
5 meter bij een schuin dak;
3 meter bij een plat dak;
aanvrager het bouwwerk dat dienst doet als huisvesting in verband met mantelzorg na het beëindigen van de mantelzorgsituatie binnen drie maanden op eigen kosten verwijdert dan wel conform de bepalingen van het bestemmingsplan of de beheersverordening in gebruik neemt.
Hoofdstuk 3
Artikel 4.
Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits:
Onderdeel van Beleidsregels voor toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2e van de Wabo