Het college kan een omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.2 intrekken indien:
niet binnen één jaar nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, is overgegaan tot omzetting;
de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren;
de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nagekomen;
de houder van een omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.2 zich niet als een goed verhuurder gedraagt;
vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat het in stand houden van de vergunning voor het omzetten van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte leidt tot een verstoring van een geordend woon-en leefmilieu van het gebouw en/of de omgeving van het gebouw, waarop de vergunning betrekking heeft;
binnen een periode van 12 maanden, het college van burgemeester en wethouders twee maal heeft geconstateerd dat er geen sprake meer is van omzetting in onzelfstandige woonruimte, waarbij geldt dat tussen deze twee constateringen een periode van tenminste zes hele kalendermaanden dient te zitten.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.1
Artikel 3.1.8
Intrekking
Onderdeel van Huisvestingsverordening Sliedrecht 2019