Voor het realiseren van groendragers grenzend aan het openbaar gebied geldt:
achter de voorgevelrooilijn;
de maximale bouwhoogte is 2,0 m;
geschikt om te begroeien met beplanting;
langs de gehele lengte van het hekwerk is hoogopgaande beplanting tegen de groendrager geplant;
per zijde is één toegangsdeur toegestaan;
in plaats van een groendrager vanaf de grond is ook een combinatie van een (stenen) muur tot maximaal 1,0 m hoogte met daarboven een groendrager toegestaan, met daartussen gemetselde steunpilaren;
de maximale bouwhoogte van steunpilaren is 2,0 m;
de onderlinge tussenruimte tussen gemetselde steunpilaren is overwegend 1,8 m.
Toelichting: de gemeente wil het open en groene karakter van de omgeving zoveel mogelijk behouden. Het afsluiten van erven met erfafscheidingen is daarom over het algemeen ongewenst. Zelfstandig staande groenvoorzieningen (coniferen/hagen/heggen) zijn geen bouwwerken en meestal vergunningvrij, ongeacht de hoogte. Op grond van het Bor zijn op het voorerf erf- en perceelafscheidingen vergunningvrij toegestaan tot een hoogte van 1,0 m. Uit de praktijk blijkt dat bij woningen met een zij-erf, welke naar de openbare weg is gekeerd de behoefte bestaat het zij-erf met een erfafscheiding hoger dan 1,0 m af te bakenen om zo maximaal gebruik van het perceel te kunnen maken, waarbij de privacy gewaarborgd blijft. Achter de voorgevelrooilijn en op meer dan 1,0 m van openbaar toegankelijk gebied zijn vergunningvrij erf- of perceelafscheidingen toegestaan, echter in de praktijk blijkt dat men ook op een afstand van minder dan 1m van het openbaar toegankelijk gebied een afscheiding wil kunnen plaatsen. Een passende oplossing voor dit probleem is een groenvoorziening die steun behoeft. Bijvoorbeeld een klimop tegen een gaaswerk. Deze voorziening wordt groendrager genoemd en dienst als alternatief voor een haag. In plaats van een geheel open rasterwerk is ook een combinatie van een gemetselde muur tot maximaal 1,0 m hoogte met daarboven een open rasterwerk toegestaan, met gemetselde steunpilaren.