De burgemeester kan, in aanvulling op de in de APV genoemde gronden, de gedoogbeschikking en exploitatievergunning intrekken:
Indien blijkt dat de gedoogbeschikking of exploitatievergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave zijn verleend;
Indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de gedoogbeschikking of vergunning zijn afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 6.
Indien gehandeld wordt in strijd met aan de gedoogbeschikking en exploitatievergunning verbonden voorschriften en beperkingen;
Indien de exploitatie van de coffeeshop door een besluit van de ondernemer voor een periode van langer dan zesentwintig weken wordt onderbroken dan wel de exploitatie niet wordt gevoerd;
Indien naar het oordeel van de burgemeester aannemelijk is, dat de ondernemer of de beheerder betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de coffeeshop dan wel indien de exploitatie van de coffeeshop omstandigheden oplevert, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de coffeeshop;
Indien zich anderszins in de coffeeshop feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat geopend blijven van de coffeeshop ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde;
Indien en voor zover de burgemeester de gedoogbeschikking en/of de exploitatievergunning intrekt, kan hij gevolg geven aan het gestelde in de procedure als bedoeld in artikel 2 en de procedure regels.