Op grond van artikel 3.1.6, lid 9 sub c van de huisvestingsverordening kunnen burgemeester en wethouders een vergunning tot omzetting van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte weigeren, indien de aanvrager niet aan de criteria van goed verhuurderschap voldoet.
Op grond van 3.1.8, lid 1, sub c van de huisvestingsverordening kunnen burgemeester en wethouders een vergunning intrekken, indien de houder van de vergunning zich niet als een goede verhuurder gedraagt.
Goed verhuurderschap blijkt uit het volgende:
Er is sprake van legale huisvesting, dat wil zeggen dat alle benodigde vergunningen zijn afgegeven en de vereiste meldingen en inschrijvingen, zoals Basisregistratie Personen, zijn gedaan.
Het bieden van goede huisvesting. De huisvesting dient in ieder geval aan de volgende voorwaarden te voldoen:
het pand verkeert in een goede staat van onderhoud en wordt in goede staat gehouden;
het pand voldoet aan de geldende bouwtechnische en brandveiligheidseisen;
een keuken en sanitaire voorzieningen zijn aanwezig en functioneren;
in het kader van veiligheid en voorkoming van overlast zijn huisregels opgesteld;
in het pand zijn de huisregels ook in de taal van de bewoners zichtbaar aanwezig;
in het pand zijn alarmnummers op een duidelijk zichtbare plaats aangegeven.
Er is sprake van geregeld beheer, waarbij iemand is aangesteld die:
toeziet op de hygiëne en de veiligheid;
aanspreekpunt is voor bewoners, omwonenden en overheden bij klachten;
een actueel overzicht bijhoudt van de bewoners van het pand.
Van slecht verhuurderschap is in ieder geval sprake indien binnen een periode van 3 jaar driemaal een sanctiebesluit, dat wil zeggen een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang, aan de verhuurder is opgelegd wegens overtreding van de Huisvestingsverordening, Huisvestingswet, bouwtechnische en brandveiligheidsregels of het bestemmingsplan.
Artikel 3
Goed verhuurderschap
Onderdeel van Beleidsregels omzetten en splitsen zelfstandige woonruimte