Om te kunnen vaststellen of er sprake is van een commerciële overeenkomst aangaande huur, onderhuur of kostgeverschap als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel b en c van de Participatiewet en artikel 5, achtste lid, onderdeel b en c van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
Er moet sprake zijn van een schriftelijke overeenkomst waarin de wederzijdse rechten en plichten geregeld en nauwkeurig afgebakend zijn en waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de prijs voor huisvesting en overige diensten.
In de schriftelijke overeenkomst moet zijn opgenomen dat de verschuldigde vergoeding periodiek wordt verhoogd.
De periode waarover de schriftelijke overeenkomst van toepassing is moet in de overeenkomst worden genoemd.
De schriftelijke overeenkomst moet zijn gedateerd en ondertekend door huurder en verhuurder of onderhuurder en onderverhuurder of kostganger en kostgever.
De schriftelijke overeenkomst moet tot stand zijn gekomen met instemming van de eigenaar van de onderhavige woning.
De onderhavige woning in de overeenkomst moet beschikken over een ruimte die zich leent voor afzonderlijke, zelfstandige bewoning.
Er moet op verzoek worden aangetoond dat er sprake is van periodieke bancaire betalingen voor de geleverde prestaties via bank- of giroafschriften of op digitale wijze.
De overeengekomen prijs moet in verhouding staan tot wat in het commerciële verkeer gebruikelijk is.
Hoofdstuk 7.
Artikel 7:28c