Het nieuwe woonwagenbeleid vormt een nieuw ijkmoment om, in die gevallen waarin een bouwwerk is gebouwd zonder of in afwijking van de omgevingsvergunning of in strijd met het bestemmingsplan, te bepalen of het college van burgemeester en wethouders als bevoegd bestuursorgaan daartegen wenst op te treden. Handhaving is – ongeacht de eigendomssituatie – een gemeentelijke publieke taak, waarbij de beginselplicht tot handhaving voorop staat.
In het kader van de handhaving zal steeds moeten worden bepaald of de overtreding legaliseerbaar is door het verlenen van een omgevingsvergunning of dat er op een andere manier concreet zicht op legalisatie bestaat. Ook kan van handhaving worden afgezien als handhaving onevenredig is in verhouding tot het daarmee te dienen belang.
Op basis van dossieronderzoek naar de verleende omgevingsvergunningen is geconstateerd dat voor diverse woonwagens en opstallen nog een omgevingsvergunning dient te worden aangevraagd. Een inventarisatie per woonwagencentrum zal als nulmeting voor legalisatie worden gebruikt. Bij het beoordelen van de legalisatiemogelijkheden worden de regels zoals opgenomen in bijlage C van dit woonwagenbeleid als uitgangspunt gehanteerd.
Tot aan het ijkmoment is geen uitvoering gegeven aan de beginselplicht tot handhaving en zijn de bewoners niet gewezen op hun plicht tot het aanvragen van een omgevingsvergunning. Gezien deze situatie is het onredelijk om met het vaststellen van het woonwagenbeleid de bewoners voor de kosten van de legalisatie van de bestaande situatie op te laten draaien.
Aan de hand van deze inventarisatie zullen de benodigde omgevingsvergunningen worden aangevraagd door het College van burgemeester en wethouders, als eigenaar van de gronden. Het College zal voor de benodigde stukken voor de aanvragen zorgen, zoals een situatietekening per locatie. De volgende uitgangspunten zullen hierbij in acht worden genomen:
Voor alle op het ijkmoment bestaande woonwagens zal een omgevingsvergunning worden verleend.
Voor de bijgebouwen die aanwezig zijn op het ijkmoment zal voor het maximaal 50 m2 een omgevingsvergunning worden verleend. Deze bijgebouwen moeten ook aan de overige eisen van het bestemmingsplan/bouwregels bijlage C voldoen. In overleg met de bewoner van de standplaats zal de situatietekening worden opgesteld voor wat betreft de bijgebouwen die gelegaliseerd worden. Voor enkele locaties is een omgevingsvergunning verleend voor een groter oppervlakte aan bijgebouwen. Deze bestaande rechten zullen worden gerespecteerd, voor zover de feitelijke situatie in overeenstemming is met de vergunde situatie.
Voor het overige worden de bijgebouwen niet gelegaliseerd. Dit houdt in dat deze bijgebouwen moeten worden verwijderd door de bewoners. Mocht dit niet gebeuren, zal hierop worden gehandhaafd.
Voor woonwagens is in 1995 de wettelijke verplichting ontstaan om ook een 'bouwvergunning' aan te vragen voor bouwactiviteiten. Door bij de aanvraag van een omgevingsvergunning nu strikt te gaan vasthouden aan het vigerende Bouwbesluit, voldoet waarschijnlijk geen enkele woonwagen op de woonwagenlocaties aan de eisen. Gezien het feit dat de gemeente niet heeft gehandhaafd op het niet hebben van een omgevingsvergunning, wordt geadviseerd om bij de aanvraag omgevingsvergunning te eisen dat deze tenminste voldoet aan de vereisten van het Bouwbesluit 1992 c.q. ‘bestaande bouw’. Voldoet de woonwagen niet, dan dient de eigenaar deze op eigen kosten aan te passen.
Voor woonwagens en bijgebouwen die na het ijkmoment worden gebouwd, verbouwd of waarvoor anderszins vergunningplichtige activiteiten plaatsvinden, zal de aanvraag omgevingsvergunning door de eigenaar van de woonwagen zelf gedaan moeten worden. Deze aanvragen worden getoetst aan het dan geldende bestemmingsplan en aan de dan geldende eisen van het Bouwbesluit.
H. Alle woonwagens en opstallen zijn vergund.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.5
Omgevingsvergunning
Onderdeel van Woonwagenbeleid van de gemeente Steenbergen 2019, vastgesteld door de gemeenteraad