Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3 › Paragraaf 3.1

Artikel 21.

Aflossingscapaciteit

Onderdeel van Debiteurenbeleid Waddinxveen 2013

1.. Met uitzondering van de situatie als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Handhavingsverordening Waddinxveen 2013 (recidive) bedraagt de aflossing voor een Wwb-, Ioaw- of Ioaz-uitkeringsgerechtigde: als sprake is van vorderingen die voortvloeien uit schending van de inlichtingenplicht: 10% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of uitkeringsnorm per maand; in de overige omstandigheden: 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of uitkeringsnorm per maand. 2.. De aflossing voor debiteur met een ander inkomen bedraagt: als sprake is van vorderingen die voortvloeien uit schending van de inlichtingenplicht: 10% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of uitkeringsnorm als het andere inkomen niet meer bedraagt dan 110% van de norm per maand, vermeerderd met 50% als het andere inkomen hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm of uitkeringsnorm; in de overige omstandigheden: 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of uitkeringsnorm per maand als het andere inkomen niet meer bedraagt dan 110% van de toepasselijke norm, vermeerderd met 50% als het andere inkomen hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, inkomensnorm of uitkeringsnorm. 3.. De aflossing vermeld in lid 1 sub b wordt in geval van beslaglegging door een derde verhoogd naar 10%.

Rechtspraak bij dit artikel