Voor het Pgb gelden, net als voor Zin, eerdergenoemde criteria en uitsluitingsgronden. Aanvullend hierop gelden onderstaande criteria:
Het college verstrekt geen persoonsgebonden budget voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.
Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een persoonsgebonden budget, dient hij daartoe een budgetplan in volgens een door het college vastgesteld model. In het budgetplan is opgenomen:
de motivering van zijn standpunt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen;
waar hij zijn ondersteuning zal inkopen en de wijze waarop de ondersteuning wordt georganiseerd;
op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid (resultaten en doelen), evenals evaluatiemomenten;
hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd;
de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief, en
welke persoon het persoonsgebonden budget beheert.
Het college kan nadere regels stellen voor welke maatwerkvoorzieningen geen budgetplan, als bedoeld in het vorige lid, hoeft te worden opgesteld.
Het college weigert de verlening van een persoonsgebonden budget indien:
de cliënt geen volledig ingevuld budgetplan heeft overlegd volgens het door het college vastgestelde model;
de cliënt weigert het budgetplan desgevraagd met het college te bespreken of verschijnt zonder geldige reden niet op de afspraak om het budgetplan te bespreken;
de cliënt zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van enkele eerder opgelegde verplichtingen bij een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d en e. van de wet;
naar het oordeel van het college onvoldoende aannemelijk is dat met het persoonsgebonden budget zal worden voorzien in toereikende ondersteuning van goede kwaliteit. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt het college mee of de diensten en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt;
de cliënt zelf of met hulp van zijn sociale netwerk of een vertegenwoordiger, geen regie kan voeren over de benodigde zorg en begeleiding en over het beheer van een persoonsgebonden budget.
Als de cliënt de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken uitvoert met hulp van de betrokken formele ondersteuner, diens personeel of op een andere wijze aan de ondersteuner verbonden persoon, kan het college een persoonsgebonden budget in beginsel weigeren op grond van belangenverstrengeling.
Het college beoordeelt aan de hand van in elk geval de navolgende criteria of de budgethouder of budgetbeheerder in staat is om de aan het beheer van een persoonsgebonden budget voortvloeiende taken te kunnen uitvoeren:
het doorlopen van het aanvraagtraject: hiervoor moet een budgethouder of budgetbeheerder kennis hebben van het persoonsgebonden budget in het sociaal domein;
inkopen zorg: Hiervoor moet een budgethouder zijn eigen zorgbehoefte kunnen uitdrukken en kennis hebben van het zorgaanbod;
goed werkgeverschap: de budgethouder of budgetbeheerder moet kennis hebben van zijn of haar rechten en plichten als werkgever;
coördinatie zorgaanbieders (sociaal netwerk): is de budgethouder of budgetbeheerder communicatief vaardig om gesprekken te voeren met zorgaanbieders;
administratie voeren: de budgethouder of budgetbeheerder heeft voldoende financiële vaardigheden en is in staat verantwoording af te leggen over de besteding van het persoonsgebonden budget.
Een persoonsgebonden budget dient door de cliënt binnen zes maanden na uitbetaling te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.
De persoon die het persoonsgebonden budget ontvangt legt desgevraagd binnen de door het college aangegeven termijn verantwoording af over het gebruik van het persoonsgebonden budget.
Een (periodiek) uit te betalen persoonsgebonden budget wordt verleend voor een periode die aanvangt op de dag waarop het recht op de voorziening is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de voorziening is aangevraagd.
De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een persoonsgebonden budget:
kosten voor bemiddeling;
kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;
kosten voor het voeren van een persoonsgebonden budget-administratie;
kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een persoonsgebonden budget;
kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering;
kosten op basis van ‘coördinatie bouwsteen’ van inkoop maatwerkvoorzieningen Wmo 2015.
De persoon aan wie een persoonsgebonden budget verstrekt wordt kan de ondersteuning betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk onder de volgende voorwaarden:
dat de persoon die behoort tot het sociale netwerk heeft aangegeven dat de zorg aan de cliënt voor hem niet tot overbelasting leidt;
dat de persoon die behoort tot het sociale netwerk op geen enkele wijze druk op de cliënt heeft uitgeoefend bij de besluitvorming om over te gaan tot uitbetaling;
dat de inzet van de persoon die behoort tot het sociale netwerk aantoonbaar van goede kwaliteit is en daarbij het belang van de cliënt centraal staat;
dat de persoon een lager tarief krijgt betaald ten opzichte van het professionele tarief voor zijn dienstverlening;
dat tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het persoonsgebonden budget mogen worden betaald.
De persoon aan wie een persoonsgebonden budget is verstrekt mag deze niet besteden in het buitenland en daar ook geen zorg inkopen. Het college kan in individuele gevallen hiervan afwijken. In dat geval kan maximaal zes weken per kalenderjaar een persoonsgebonden budget worden verstrekt.
Een formele zorgaanbieder dient in elk geval aan de volgende kwaliteitseisen te voldoen:
verleent verantwoorde hulp, waaronder wordt verstaan ondersteuning van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt;
organiseert zich op zodanige wijze, voorzien zich kwalitatief en kwantitatief zodanig van personeel en materieel dat leidt tot verantwoorde hulp;
beschikt over een systeem voor dossiervorming;
werkt met een uitvoeringsplan, evaluatie en een urenregistratie;
werkt met medewerkers die beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG);
dient te beschikken over een meldcode te hebben voor huiselijk geweld en kindermishandeling;
dient te beschikken over een klachtencommissie;
heeft een vastgesteld privacybeleid;
beschikt over een cliëntenraad.
Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.6.
Aanvullende criteria toekenning Pgb
Onderdeel van Beleidsregels toegang beschermd wonen, beschut wonen en maatschappelijke opvang