Naar hoofdinhoud
10.1. Verplichtingen worden onderscheiden in “verplichtingen betreffende uitgaven” (plichten) en “verplichtingen betreffende inkomsten” (rechten). 10.2. Het aangaan van verplichtingen gebeurt met inachtneming van het mandaatbesluit en de regels op het gebied van aanbesteding en inkoop. 10.3. Verplichtingen mogen slechts worden aangegaan nadat geconstateerd is dat een toereikend budget aanwezig is en het aangaan van de verplichting direct verband houdt met de bij het budget behorende taakstelling. 10.4. Verplichtingen van een bedrag van € 30.000,- of meer moeten worden geregistreerd in de financiële administratie en wel op het moment dat de verplichting ontstaat. 10.5. De budgethouder kan meerjarige verplichtingen aangaan, mits de budgetten in de meerjarenbegroting toereikend zijn. 10.6. Het is niet toegestaan verplichtingen aan te gaan die in de toekomst tot onvermijdelijke overschrijdingen op de budgetten zullen leiden. 10.7. Verplichtingen kunnen niet worden aangegaan ten laste van de volgende budgetten: kapitaallasten; toerekening kostenplaatsen; posten betreffende stortingen in en onttrekkingen aan reserves; posten betreffende stortingen in voorzieningen; stelposten en onvoorzien.

Rechtspraak bij dit artikel