Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 8

Artikel 27

Uittreding

Onderdeel van de Gemeenschappelijke Regeling Basismobiliteit

1.. Een deelnemer kan uittreden uit de regeling, als voldaan is aan het gestelde in artikel 10, derde lid. 2.. De deelnemer die uit wil treden, maakt na verkregen toestemming van de gemeenteraad, zijn voornemen tot uittreding bij aangetekende brief kenbaar aan het bestuur en aan de overige deelnemers. 3.. Voor uittreding uit de regeling wordt een opzegtermijn van ten minste één jaar in acht genomen. 4.. Na ontvangst van de in het tweede lid vermelde brief wijst het bestuur in overleg met de uittredende deelnemer een onafhankelijke registeraccountant aan, aan wie de opdracht wordt verleend een liquidatieplan op te stellen als ware tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling besloten. Het liquidatieplan voorziet in ieder geval in de regeling van de personele gevolgen en de liquiditeit van de bedrijfsvoeringsorganisatie als die wordt voortgezet. 5.. Het liquidatieplan wordt vastgesteld door het bestuur en de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de uittredende deelnemer de kosten draagt die het rechtstreekse gevolg zijn van de uittreding en dat de overige deelnemers geen financieel nadeel van de uittreding ondervinden. 6.. Nadat het liquidatieplan is vastgesteld is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden na de vaststelling de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de bedrijfsvoeringsorganisatie te voldoen. 7.. De kosten van het opstellen van het liquidatieplan komen voor rekening van de deelnemer die het voornemen heeft om uit te treden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel