Naar hoofdinhoud
19.2.1.Aan te melden schulden in faillissement In een faillissement vallen de belastingschulden voor zover zij materieel zijn ontstaan vóór de dag van de faillietverklaring dan wel materieel zijn ontstaan na de faillietverklaring, maar voortvloeien uit een al bestaande rechtsverhouding van voor de faillietverklaring. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de materiële belastingschuld ontstaat van dag tot dag tenzij het tegendeel blijkt. Belastingschulden ontstaan vanaf de datum van het faillissement die niet voortvloeien uit een al bestaande rechtsverhouding van voor de faillietverklaring, zijn niet verifieerbaar en moeten eventueel als boedelschulden worden aangemeld. De invorderingsambtenaar splitst de belastingaanslag naar tijdsevenredigheid of tijdstip en doet twee aparte vorderingen: één voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden aangemeld; één voor het gedeelte dat als boedelschuld kan worden aangemerkt. Voorlopige aanslagen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet kan de invorderingsambtenaar niet eerder aanmelden dan nadat de termijnen die aan die aanslagen verbonden zijn, zijn vervallen. De invorderingsambtenaar splitst de voorlopige aanslagen naar tijdsevenredigheid of tijdstip. Bij het bepalen of een bestuurlijke boete in een faillissement valt, is uitsluitend van belang de dagtekening van de desbetreffende beschikking. Als die beschikking is gedagtekend voor het faillissement, kan de invorderingsambtenaar de boete in het faillissement aanmelden. Als de dagtekening ligt na uitspraak van het faillissement, dan kan de invorderingsambtenaar de boete niet meer in het faillissement aanmelden, ook al heeft de boete betrekking op een situatie vóór het faillissement. 19.2.2.Belastingschulden ontstaan gedurende een surséance zijn boedelschulden in faillissement Belastingschulden die materieel zijn ontstaan gedurende de periode van een surséance van betaling die aan het faillissement voorafgaat, kunnen op grond van artikel 249 FW worden beschouwd als boedelschulden in het faillissement. Het bepaalde in artikel 19.1 van de Invorderingswet is op deze schulden en de belastingaanslagen die hierop betrekking hebben op soortgelijke wijze van toepassing. 19.2.3.Opkomen in faillissement Van de bevoegdheid om van de curator dadelijke voldoening aan de vordering te verlangen maakt de invorderingsambtenaar geen gebruik, tenzij bijzondere omstandigheden met het oog op het belang van de invordering daartoe noodzaken. In alle gevallen waarin de invorderingsambtenaar in het faillissement opkomt, vermeldt hij in de vordering dat hij aanspraak maakt op eventuele voorrang. Als de curator tijdens het faillissement materieel ontstane belastingschulden die als boedelschuld kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet voldoet, dan wendt de invorderingsambtenaar zich in beginsel eerst tot de curator om langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing, wendt de invorderingsambtenaar zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval kan de invorderingsambtenaar zich rechtstreeks verhalen op de boedel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel