Naar hoofdinhoud
De overheidsvordering is een incassomaatregel die de invorderingsambtenaar alleen kan toepassen onder een bank. De invorderingsambtenaar moet eerst een dwangbevel hebben betekend voor een belastingaanslag voordat hij daarvoor een overheidsvordering kan doen. De invorderingsambtenaar maakt een overheidsvordering bij de bank van de belastingschuldige bekend door een beschikking elektronisch aan te maken en ook elektronisch te verzenden. De bank voert de overheidsvordering uit volgens het Nederlandse systeem van automatische incasso. De belastingschuldige kan deze incasso niet latenstorneren door de bank. De bank voert de incasso alleen uit op de bestedingsruimte op een betaalrekening. De bestedingsruimte is het saldo op de betaalrekening plus het bedrag dat de belastingschuldige daarop ‘rood’ mag staan. De bank kan zich niet beroepen op een recht van verrekening met een tegenvordering. Voor de overheidsvordering gelden enkele beperkingen: de invorderingsambtenaar kan de vordering alleen doen voor belastingaanslagen ten name van natuurlijke personen. de invorderingsambtenaar kan de vordering slechts uitvoeren bij een betaalrekening die (mede) op naam van de belastingschuldige staat. als de invorderingsambtenaar zich (ook) wil verhalen op een spaarrekening van de belastingschuldige, moet hij dit doen via een derdenbeslag. de invorderingsambtenaar kan alleen een vordering indienen voor een belastingaanslag met een openstaand bedrag van maximaal € 1.000. de hoogte van de vordering bedraagt maximaal € 500. de invorderingsambtenaar mag per belastingaanslag maximaal twee keer per maand een vordering indienen. de invorderingsambtenaar mag voor een belastingaanslag maximaal drie aaneengesloten maanden een vordering indienen. als het bedrag van de vordering hoger is dan de bestedingsruimte voert de bank de incasso niet uit. De bank voert de incasso uit als op de uitvoerdatum van de vordering, de bestedingsruimte op de betaalrekening van de belastingschuldige toereikend is. Achteraf kan blijken dat het bedrag van de invordering hoger was dan de bestedingsruimte op de betaalrekening. De bank is dan bevoegd om het gehele bedrag van de incasso terug te boeken. De bank moet dit doen binnen vijf werkdagen na de datum van de incasso. De invorderingsambtenaar heeft de mogelijkheid om maximaal drie deelvorderingen in te dienen. In plaats van één vordering voor een schuld van € 498 kan hij bijvoorbeeld drie vorderingen indienen van € 166. Hierdoor is de kans groter dat het bedrag van de vordering binnen de bestedingsruimte valt. Daarmee voorkomt de invorderingsambtenaar dat de bank de incasso niet uitvoert of het bedrag van de incasso moet terugboeken. De belastingschuldige krijgt op twee manieren informatie over de uitgevoerde overheidsvordering. De invorderingsambtenaar informeert de belastingschuldige schriftelijk over de (deel)vordering binnen zeven dagen nadat de bevoegdheid van de bank tot terugboeking is verstreken. De bank vermeldt op het (elektronische) bankafschrift van de betaalrekening: de af- of terugboeking het nummer van de belastingaanslag het telefoonnummer waar de belastingschuldige met vragen over de overheidsvordering terecht kan Als de Wet schuldsanering natuurlijke personen van toepassing is en bij faillissement doet de invorderingsambtenaar geen overheidsvordering. Als de overheidsvordering dan al is gedaan voert de bank haar niet meer uit. De bank voert de vordering ook niet uit als er een pandrecht is gevestigd of beslag is gelegd op het saldo van de rekening. 19.4.1 Beslagvrije voet en overheidsvordering Als de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij vanwege de toepassing van de overheidsvordering, bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet, een lager bedrag aan bestaansmiddelen overhoudt dan overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet, maakt de invorderingsambtenaar de overheidsvordering op verzoek van de belastingschuldige in zoverre ongedaan met inachtneming van hetgeen hierna volgt. Bij het verzoek verstrekt de belastingschuldige naast de gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van de beslagvrije voet een overzicht van de banktegoeden, waaronder begrepen spaartegoeden, waarover de belastingschuldige onmiddellijk na de overheidsvordering kon beschikken. Ongedaanmaking blijft beperkt tot de laatste overheidsvordering voorafgaand aan het verzoek van de belastingschuldige. Als sprake is van een belastingschuldige als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de wet, berekent de invorderingsambtenaar de beslagvrije voet met inachtneming van het bepaalde in artikel 19, eerste lid, laatste volzin van de wet. Het bepaalde in artikel 19.1.7 van deze leidraad is hierbij van toepassing. Voordat de invorderingsambtenaar tot teruggaaf overgaat, gaat hij na of de belastingschuldige op het moment dat de overheidsvordering is gedaan, beschikte over banktegoeden, waaronder begrepen spaartegoeden. Als het totaal van de banktegoeden waarover de belastingschuldige onmiddellijk na de overheidsvordering kon beschikken groter is dan de voor hem geldende beslagvrije voet, vermindert de invorderingsambtenaar de teruggaaf met het meerdere.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel