Als de ontvanger het dwangbevel per post heeft betekend en de invordering vervolgt door een
vordering onder de werkgever (artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet) of door een andere
vordering op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden, is hij verplicht de
belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen van zijn voornemen een vordering te doen.
De ontvanger doet de vooraankondiging niet eerder dan nadat vier dagen zijn verstreken na de
datum waarop hij het afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling ter post heeft bezorgd.
De ontvanger doet de betreffende vordering niet eerder dan zeven dagen na de dagtekening van de
vooraankondiging. De vooraankondiging blijft achterwege als de ontvanger de vordering doet bij een
werkgever of uitkeringsinstantie die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van
de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen.
Artikel 19.3.2.