Tot het inkomen wordt ook het vakantiegeld gerekend. Het vakantiegeld wordt gesteld op 7% van de
- aan loonheffing onderworpen – inkomsten waarbij aanspraak bestaat op vakantiegeld.
Als uit het ingediende verzoekformulier blijkt, dan wel de ontvanger uit eigen wetenschap bekend is
dat het reëel genoten vakantiegeld meer of minder bedraagt dan 7%, wordt het reëel genoten
vakantiegeld in aanmerking genomen. Zo is bijvoorbeeld sprake van een lager percentage dan 7 in
het geval de belastingschuldige een bijstandsuitkering geniet. In dat geval moet dus worden
uitgegaan van het percentage genoemd in artikel 19, derde lid, van de Pw.
Artikel 26.2.11.