De waarde van de personenauto wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als
deze op het moment waarop het verzoek wordt ingediend een waarde heeft van € 2.269 of minder.
Als de waarde meer bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen. Als op
de auto voor een financier een pandrecht is gevestigd, moet ter vaststelling van de actuele
(over)waarde de financieringsschuld in mindering worden gebracht.
Een auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als de belastingschuldige aan de ontvanger - zo nodig na een verzoek daartoe - aannemelijk kan maken dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit of ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden wordt bedoeld de echtgenoot van belastingschuldige, of zijn kind(eren) voor zover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben)
waaruit de auto in beginsel zou kunnen worden betaald.
De onmisbaarheid van de auto in verband met invaliditeit of ziekte kan worden aangetoond:
Indien het voertuig een waarde heeft van maximaal € 5.000,- met een kopie van de invalidenparkeerkaart;
Indien het voertuig een waarde heeft van meer dan € 5.000,- met een verklaring van een arts of met een bewijsstuk wat aantoont dat de auto is aangeschaft met een op grond van Wet Maatschappelijke Ondersteuning verkregen tegemoetkoming .
Indien de belastingschuldige daarin niet slaagt, wordt de volle waarde van het voertuig als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen.
Bij de aanwezigheid van meer dan één auto wordt de waarde van de tweede of volgende auto volledig als vermogen in aanmerking genomen.
Artikel 26.2.3.
De auto en kwijtschelding particulieren
Onderdeel van Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 2019