Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met inkomsten die
studenten ontvangen op grond van de WSF en hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming
onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS VO-18+ ).
Studenten in het hoger en middelbaar beroepsonderwijs hebben recht op een normbudget voor
levensonderhoud: in het kader van de kwijtscheldingsregeling is dit normbudget de optelsom van
basisbeurs, maximale aanvullende beurs en maximale basislening. Daarbij wordt voor zover van toepassing rekening gehouden met het feit of de student thuiswonend, dan wel uitwonend is. In voorkomend geval wordt dit normbudget verhoogd met de één-oudertoeslag.
De inkomsten van een student worden gesteld op een forfaitair bedrag.
Voor studenten in het hoger onderwijs is dit het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met het in de Rijksleidraad in dit artikel genoemde forfaitaire bedrag voor boeken en leermiddelen.
Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs is dit het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met het in de Rijksleidraad in dit artikel genoemde forfaitaire bedrag voor boeken en leermiddelen en het bedrag aan onderwijsretributie.
Als de belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen inkomsten wordt eveneens
uitgegaan van de forfaitaire inkomsten, zoals hiervoor berekend onder A en B.
Als de daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen collegegeldkrediet voor
studenten in het hoger onderwijs) en de eigen inkomsten uitstijgen boven de voor het desbetreffende
huishoudtype maximaal geldende kosten van bestaan wordt om de betalingscapaciteit te kunnen
berekenen de navolgende formules gebruikt:
Formule 1: (P + Q) – R – S = X
In deze formule wordt met P aangegeven het totaal van de daadwerkelijk genoten studiefinanciering
(exclusief het ontvangen collegegeldkrediet voor studenten in het hoger onderwijs). Het totaal van de
eigen inkomsten wordt aangegeven met Q. Met R wordt aangegeven het voor de kwijtschelding
geldende normbudget voor levensonderhoud. Het in mindering te brengen bedrag van de
daadwerkelijk ontvangen basislening wordt aangeduid met S.
De uitkomst van deze berekening wordt aangegeven met X.
Formule 2: X + Y = T
In deze formule wordt met Y aangegeven het forfaitaire bedrag aan inkomsten van de betreffende
student zoals bedoeld onder A of B. Het resultaat van de berekening volgens formule 1 (X)
vermeerderd met Y is het inkomen (T). Dit inkomen vormt vervolgens het uitgangspunt om het netto
besteedbaar inkomen te kunnen berekenen en de betalingscapaciteit. In sommige gevallen bestaat
de studiefinanciering zelfs geheel uit een lening. In die situaties wordt ook uitgegaan van de
vorenvermelde forfaitaire inkomsten en is hetgeen in dit artikel is vermeld van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 26.2.12.
Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren
Onderdeel van Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 2019