De waarde van onroerende zaken die een belastingschuldige in zijn bezit heeft, wordt aangemerkt
als een vermogensbestanddeel. Voor de waardebepaling van de onroerende zaak is uitgangspunt de
waarde van de onroerende zaak bij verkoop vrij te aanvaarden. Als de aanwezigheid van vermogen
vastgelegd in onroerende zaken leidt tot de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding en de
belastingaanslag wordt vervolgens niet betaald, kan de voortzetting van de invordering bij oudere
belastingschuldigen die hun laatste levensjaren in hun eigen woning willen slijten, leiden tot een
onverdedigbare hardheid. Een gedwongen verhuizing in verband met de verkoop van de woning zal
voor deze groep belastingschuldigen een onevenredig grotere belasting zijn dan voor andere
belastingschuldigen. In die gevallen kan de ontvanger in overleg met de belastingschuldige afzien
van prompte invordering en in plaats daarvan uitstel van betaling verlenen, gedekt door een
hypotheek op de eigen woning of door het leggen van een beslag op de woning. De hypotheek moet
opeisbaar zijn na het overlijden van de langstlevende of bij een eerder vrijkomen van de woning.
Het verlenen van een zodanig uitstel blijft beperkt tot uitzonderlijke gevallen.
Artikel 26.2.5.
De eigen woning en kwijtschelding voor particulieren
Onderdeel van Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 2019