Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op een maand of is gesteld op zes weken, dan
houdt dat in dat als de dagtekening van een aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van
een maand vervalt op 30 november en de betalingstermijn van zes weken vervalt op 12 december.
Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn van een maand op 31 maart en de
betalingstermijn van zes weken op 11 april, tenzij het jaartal aangeeft dat het een schrikkeljaar is, in
welk geval de termijn vervalt op 28 maart dan wel 10 april.
Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de laatste dag van de
kalendermaand, vervalt de termijn een maand na de laatste dag van de maand (bij een
betalingstermijn van een maand) van de dagtekening. Als de dagtekening bijvoorbeeld 15 maart is,
vervalt de termijn dus op 30 april.
Artikel 9.5.
Begrippen bij betalingstermijnen
Onderdeel van Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 2019