12.1 Een subsidieaanvraag kan naast de weigeringsgronden genoemd in artikel 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, in ieder geval geheel of gedeeltelijk worden geweigerd als:
a) Niet is voldaan aan één of meerdere bij de krachtens van deze regeling gestelde eisen.
b) Uit de aanvraag naar oordeel van het college onvoldoende blijkt dat de subsidieontvanger gedurende de volledige subsidieperiode in staat zal zijn te beschikken over het kwalitatief en kwantitatief benodigde personeel en materiaal voor de naar verwachting door haar uit te voeren subsidiabele activiteiten.
c) De subsidieverlening niet past binnen het beleid van het college.
d) Uit de bij de aanvraag overgelegde bescheiden blijkt dat de subsidieaanvrager zelf in de kosten van activiteiten kan voorzien, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden, waaronder aan de subsidieaanvraag gelieerde rechtspersonen.
e) Het met de subsidie beoogde doel in voldoende mate op andere wijze dan wel voor een vergelijkbare activiteit wordt nagestreefd en bereikt kan worden.
f) De subsidieverlening in strijd is met het (Europese) recht.
g) Het college een systematiek heeft vastgesteld voor de selectie van een subsidieontvanger en de aanvrager op grond van deze selectie niet voor subsidiëring in aanmerking komt.
12.2 De subsidie kan naast de gronden genoemd in artikel 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht, in ieder geval worden ingetrokken of lager worden vastgesteld als:
a) Naar oordeel van het college niet langer aannemelijk is dat de subsidieontvanger gedurende het restant van de subsidieperiode kan beschikken over kwalitatief en kwantitatief benodigde personeel en materiaal voor de naar verwachting door hem uit te voeren subsidiabele activiteiten.
b) Naar oordeel van het college het handelen van de subsidieontvanger de zorgcontinuïteit of de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten in gevaar dreigt te brengen.
Hoofdstuk 3
Artikel 12
Weigerings- en intrekkingsgronden
Onderdeel van Subsidieregeling lokaal Team Jeugd Oude IJsselstreek 2019