Naar hoofdinhoud
Beschrijving oude beleid In het oude standplaatsenbeleid zijn 18 vaste standplaatslocaties aangewezen. Er zijn geen branchecriteria, dat betekent dat iedereen vrij is in de keuze van het te verkopen product op een vergunde standplaatslocatie. Veel voorkomende branches zijn vis, bloemen, snacks/ijs en loempia’s. Een vaste-standplaatsvergunning wordt in het oude beleid in principe voor één locatie per dag (of dagdeel) uitgegeven. Niet alle vaste standplaatsen zijn op alle dagen/dagdelen bezet. Vaste-standplaatsvergunningen worden tot nu toe verleend voor onbepaalde tijd. De 18 voor een vaste standplaats aangewezen locaties in het oude beleid zijn: Amerongen, Koenestraat (parkeerplaats supermarkt) (privéterrein) Leersum, Kerkweg (parkeerplaats) Leersum, Kerkplein (stoep/fietspad) Leersum, Rijkstraatweg (privéterrein) Doorn, Dorpsstraat (parkeerplaats/eigen terrein Albert Heijn) (privéterrein) Doorn, Plein 1923 (twee plaatsen) Driebergen, Groenhoek (stoep) Driebergen, De Sluis (stoep) Driebergen, Binnenplaats bij de Lei/Traaij (plein, twee plaatsen) Driebergen, Noorderplantsoen (parkeerplaats) Driebergen, Traaij/Lindelaan (uitsterfbeleid) Driebergen, Traaij/Laan van Blommerweert Driebergen, Hoofdstraat/Korte Dreef (stoep) Maarn, 5 Meiplein (plein, twee plaatsen: niet uitbreiden in verband met marktvorming) Het oude beleid onderscheidt geen standplaatsen voor seizoensgebonden producten. Wel is het mogelijk een incidentele standplaats aan te vragen. Hiervoor geldt dat dit eenmalig is, dat de standplaats maximaal twee dagen wordt ingenomen (met uitzondering van seizoenartikelen zoals kerstbomen), en dat dezelfde organisatie maximaal vier keer per jaar een incidentele standplaats mag aanvragen. Dergelijke standplaatsen worden vooral aangevraagd voor promotionele activiteiten en verkoop van kerstbomen en/of oliebollen. Voor incidentele standplaatsen zijn geen locaties vastgesteld: de aanvrager kan zelf een voorstel voor een locatie doen. Knelpunten Naar aanleiding van analyse en gesprekken met betrokkenen zijn de volgende knelpunten geconstateerd: Te weinig afstemming met winkels en markt: vanuit de detailhandel lijkt er geen behoefte te zijn aan meer standplaatsen, tenzij het aanbod aanvullend is aan de reeds gevestigde winkelbranches; Te weinig diversiteit: standplaatsen dragen bij aan verlevendigen omgeving, aantrekkelijkheid winkelgebied en de behoefte van consumenten. Door te sturen in branchering, aantal en locatie kan een balans worden gevonden tussen openbare orde en het op peil houden van voorzieningen enerzijds en levendigheid, aantrekkelijkheid en variatie anderzijds; Te weinig flexibiliteit en dynamiek: vergunningen worden voor onbepaalde tijd verleend, waardoor nieuwe ondernemers weinig mogelijkheden hebben om een vergunning aan te vragen. Dit is in strijd met recente uitspraken over schaarse vergunningen. Bovendien is hierdoor weinig ruimte om in spelen op gewijzigde feiten en/of omstandigheden bij de standplaats/standplaatshouder of omgeving; Ontbreken toewijzingssysteem nieuwe vergunningen: aanvragen worden op volgorde van binnenkomst beoordeeld door toetsing aan de weigeringsgronden van de APV. Deze werkwijze is niet transparant. Duidelijke voorwaarden voor standplaatsen ontbreken of zijn multi-interpretabel. Standplaatshouders betalen sinds 2016 geen precario meer (zie Verordening precariobelasting 2016 en 2017). Dit wordt in de meeste gemeenten wel gedaan. Als standplaatshouders profijt hebben van verkoop van producten in en via de openbare ruimte zou ook een deel van dit profijt ten goede moeten komen aan die openbare ruimte. Daarom zou een meer marktconforme exploitatie van deze standplaatsen door de gemeente voor de hand liggen.

Rechtspraak bij dit artikel