Centrumgebieden
Centrumgebieden zijn locaties waar veel consumenten komen en daarom zijn ze aantrekkelijk voor standplaatshouders. Standplaatsen kunnen met name in de kleine kernen een belangrijke economische meerwaarde hebben, mits ze (in branchering) een aanvulling vormen op het aanwezige aanbod. In dorpen waar het draagvlak te klein is voor het in stand houden van een winkel in een bepaalde branche is vaak nog wel een standplaats haalbaar. Deze standplaats vormt zo een aantrekkelijke aanvulling op het winkelaanbod en daarmee op het voorzieningenniveau in het dorp.
In de vijf hoofdkernen van de gemeente (Driebergen, Doorn, Leersum, Maarn, Amerongen) streeft de gemeente Utrechtse Heuvelrug naar een zo compleet en divers mogelijk aanbod dicht bij de consument. Daarbij verkiest de gemeente permanente voorzieningen (winkels) boven ambulante (standplaatsen), omdat deze voor de consument de grootste bijdrage leveren aan het voorzieningenniveau.
Om te voorkomen dat het winkelaanbod in een dorp/centrum afneemt door de aanwezigheid van (te veel) standplaatsen houdt de gemeente vast aan een maximum aantal standplaatsen per centrum. Het toegestane maximum aantal standplaatsen hangt af van de omvang van het aantal inwoners. Door een maximum te stellen wordt tevens eventuele overlast van standplaatsen zoals het bezet houden van parkeerplaatsen en geuroverlast beperkt.
Om de diversiteit in het aanbod te bevorderen, mogen binnen een centrum niet dezelfde branches tegelijk op verschillende standplaatsen voorkomen, en mag een branche maximaal twee dagen per week in een centrum staan. Op dagen en dagdelen dat in het centrum een weekmarkt plaatsvindt, worden in dat centrum geen standplaatsen toegestaan. Dat houdt dus in dat er 6 dagen per week een standplaats ingenomen kan worden.
Overige locaties
De gemeente streeft naar levendige dorpscentra met een zo compleet en divers mogelijk voorzieningenaanbod. Om die reden is het gewenst terughoudend om te gaan met het toestaan van voorzieningen (winkels, standplaatsen) buiten deze centrumgebieden. Hierdoor zijn zoveel mogelijk inwoners en toeristische bezoekers georiënteerd op de centrumgebieden en kunnen ondernemers daar maximaal van elkaars aanwezigheid profiteren 3 Ter illustratie: hoewel een verkoper van ijs op een fietsknooppunt in het bos leuk kan zijn, is het voor de voorzieningenstructuur beter de toeristen een stop in het dorpscentrum te laten maken. . Er worden dan ook geen nieuwe vaste standplaatslocaties buiten de centrumgebieden aangewezen of toegestaan.
Voor bestaande standplaatslocaties buiten centrumgebieden geldt een uitsterfbeleid: na verloop van de vergunning van bestaande standplaatshouders (inclusief overgangstermijn) worden geen nieuwe vergunningen meer verleend.
Incidentele standplaatsen en seizoensgebonden standplaatsen buiten centra blijven mogelijk. Voor seizoensgebonden plaatsen zijn een aantal vaste locaties benoemd. Voor seizoensgebonden en incidentele standplaatsen kan voor elke locatie een vergunning worden aangevraagd. Deze geschiktheid van die locatie wordt per geval beoordeeld.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.2