De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien:
de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;
de aanvrager is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment niet meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college;
deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, extra trapleuningen en het verbreden van de toegangsdeuren;
de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn er en geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak;
de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, uitsluitend voor zover de aanvraag een verhuiskostenvergoeding betreft;
verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden;
verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg;
er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden;
de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen.
Hoofdstuk 4
Artikel 19
Weigeringsgronden
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2012