Een persoon als omschreven in de onderdelen 4, 5 en 6 van artikel 1, eerste lid, onder g, van de Wet kan voor de in artikel 8 onder a vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien:
aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of
problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg
het zelf uitvoeren van één of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat kan oplossen.
Een persoon als omschreven in de onderdelen 4, 5 en 6 van artikel 1, eerste lid, onder g, van de wet kan voor de in artikel 8 onder b en c vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht als de in artikel 8 onder a genoemde voorziening:
een onvoldoende oplossing biedt of
niet beschikbaar is.