Op basis van berekeningen van de bodemkwaliteit met de gegevens van 2000-2010 en aanvullende waarnemingen op basis van het "nieuwe stoffenpakket" blijkt dat de gemiddelde diffuse bodemkwaliteit in Flevoland over het algemeen als “schoon” kan worden gekarakteriseerd. Dat betekent dat onder het generieke beleid alleen schone grond mag worden toegepast omdat de kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan de kwaliteit van de ontvangende bodem (=schoon). Het kan echter niet worden uitgesloten dat in individuele gevallen, op basis van de resultaten van verkennend bodemonderzoek of partijkeuringen, licht verontreinigde grond vrijkomt. Toepassen van deze grond is niet mogelijk op de plekken waar grond nodig is, omdat de kwaliteit slechter is dan vereiste kwaliteit op basis van de ontvangende bodem. Door het vaststellen van (ruimere) lokale maximale waarden (alleen mogelijk via gebiedsspecifiek beleid) kunnen de hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond worden vergroot.
Behalve het vaststellen van lokale maximale waarden biedt het gebiedsspecifieke beleid ook mogelijkheden om een afwijkend percentage bodemvreemde bijmengingen ten opzichte van het algemene percentage (20%) van het Besluit bodemkwaliteit vast te stellen en de acceptatie van andere bodemkwaliteitskaarten te regelen.
In de volgende paragrafen worden de voorwaarden en keuzemogelijkheden in het kader van gebiedsspecifiek beleid nader toegelicht.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.1
Aanleiding voor gebiedsspecifiek beleid
Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Lelystad houdende regels omtrent het bodembeheer (Nota bodembeheer)