Bij het opstellen van de functiekaarten is rekening gehouden met ruimtelijke ontwikkelingen die de komende 5 jaar plaatsvinden. Desondanks is het mogelijk dat de functie van een locatie wijzigt als gevolg van een bestemmingsplanwijziging in het kader van de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO). Als gevolg van een dergelijke wijziging kan het voorkomen dat de functieklasse, zoals aangegeven op de functiekaart, niet meer correspondeert met de actuele functie van de locatie. Dit zou in theorie kunnen leiden tot verkeerde afwegingen bij het toepassen van grond (of baggerspecie) volgens het generieke kader.
Het bij iedere wijziging van het bestemmingsplan moeten aanpassen van de functiekaart, en zo nodig de bodembeheernota of andere beleidsdocumenten, vergt een onevenredige inspanning. Daarom worden de functiekaarten niet frequent aangepast, maar dient de gewijzigde bestemming betrokken te worden bij de afweging welke kwaliteitsklasse grond of baggerspecie mag worden toegepast volgens het generieke kader. De bestemmingen uit het bestemmingsplan dienen hierbij dan "vertaald" te worden naar de gebruiksfuncties uit het generieke beleid. Door de gemeenten wordt eenmaal per vijf jaar nagegaan of het noodzakelijk is om de functiekaart aan te passen en opnieuw vast te stellen.
De Wet ruimtelijke ordening is ook van toepassing bij het tijdelijk opslaan van grond. Het opslaan van grond kan strijdig zijn met de bestemmingsplanvoorschriften.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.8.1
Wet ruimtelijke ordening
Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Lelystad houdende regels omtrent het bodembeheer (Nota bodembeheer)