Een woonvoorziening kan alleen worden verstrekt voor de woning
waarin de aanvrager zijn/haar hoofdverblijf heeft.
De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van een
woonvoorziening is gelijk aan het bedrag van de door het college
geaccepteerde offerte.
De tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten bedraagt €
2.325,18
De eigenaar-bewoner, die krachtens de verordening een
woonvoorziening heeft ontvangen van meer dan € 10.000,-- en die
leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze
woning binnen een periode van 5 jaar na gereedmelding van de
voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het college
te melden. De berekening van de meerwaarde van de woning en de wijze
van terugbetalen van de meerwaarde worden geregeld in het
Besluit.
Voor de toepassing van dit besluit wordt de meerwaarde van de
woning, als bedoeld in het vierde lid gelijkgesteld aan 80% van de
verleende financiële tegemoetkoming.
De terugbetaling, als bedoeld in het vierde lid bedraagt:
gedurende het eerste jaar 100 % van de meerwaarde;
gedurende het tweede jaar 80% van de meerwaarde;
gedurende het derde jaar 60% van de meerwaarde;
gedurende het vierde jaar 40% van de meerwaarde;
gedurende het vijfde jaar 20% van de meerwaarde.
Het college kan afwijken van het in het vierde lid gestelde, indien
de eigenaar/bewoner aantoont dat de meerwaarde niet kon worden
gehaald bij de verkoop van de woning.
Voor de aan de toepassing van het onder het zevende lid gestelde kan
het college extern advies vragen.
Het persoonsgebonden budget en de financiële tegemoetkoming bedragen
maximaal € 45.000,- en worden alleen verstrekt onder de voorwaarde
dat door belanghebbende in de financiering van het niet door
subsidie gedekte deel van de aanpassingskosten is voorzien.
Artikel 5
Financiële tegemoetkoming woonvoorzieningen
Onderdeel van Besluit maatschappelijke ondersteuning Uitgeest 2013