Naar hoofdinhoud
Bij de beoordeling van verzoeken om af te wijken van het bestemmingsplan zullen voor wat betreft de afwijkingsmogelijkheden zoals genoemd in artikel 2.12 lid 1 sub a onder 2º, Wabo de hiernavolgende beleidsregels worden toegepast. Indien het bestemmingsplan na de inwerkingtreding van dit beleid wordt gemaakt zullen de mogelijkheden die deze beleidsregels bieden daarin worden vertaald (Ofwel direct ofwel als in de vorm van binnenplanse afwijkingsmogelijkheden.) In Artikel 4, Bijlage II Bor is het volgende geregeld: Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen op grond van het Besluit omgevingsrecht (artikel 4, bijlage II) in aanmerking: een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, de oppervlakte niet meer dan 150 m2; Toepassing: Aan-, uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen Voor de toepassing onder 1 wordt onderscheid gemaakt tussen woningen en andere gebouwen. Voor woningen wordt mogelijk gemaakt, voor zover niet mogelijk vanuit het bestemmingsplan: (vrijstaande) bijgebouwen , voorzover: de bebouwing ten minste 2 meter achter voorgevelrooilijn ligt, behalve voor carports, erkers, toegangsportalen en luifels (zie themabladen ‘Carports’ en ‘Erkers, entreeportalen en luifels’); ten minste dan 50% van het bebouwingsgebied onbebouwd blijft; indien de locatie is gelegen in bestemmingsplangebied Oude Dorp ten minste dan 30% van het bebouwingsgebied onbebouwd blijft; aanbouwen niet meer dan 4 meter diep of breed zijn, gemeten vanuit respectievelijk de achtergevel of de zijgevel van het hoofdgebouw. Voor zijgevels grenzend aan de openbare weg geldt een maximale breedte van 3,5 meter; de goothoogte van aan- en uitbouwen aan zij- en achtergevel niet meer is dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,3 meter de bouwhoogte van vrijstaande bouwwerken niet meer is dan 3 meter; indien op de locatie een dubbelbestemming ‘Waarde - Cultuurhistorie 1’ of ‘Waarde – Cultuurhistorie 2’ geldt voordat de omgevingsvergunning wordt verleend advies wordt ingewonnen omtrent de gevolgen voor de cultuurhistorische waarden. Uitbreiding van het hoofdgebouw Voor uitbreiding van een hoofdgebouw geldt dat in beginsel wordt meegewerkt onder de navolgende voorwaarden (Ja, mits): de uitbreiding stedenbouwkundig inpasbaar is in de omgeving, er vindt geen onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld plaats; het gebruik van de uitbreiding een ruimtelijke uitstraling heeft die zich verdraagt met de omgeving; er geen onevenredige toename van de verkeersbelasting en de parkeerdruk in de omgeving ontstaat, de beleidsregels uit het gemeentelijk parkeerbeleid zijn van toepassing op de parkeertoetsing; uitbreiding van een milieugevoelige functie geen onevenredige beperkingen veroorzaakt voor in de omgeving aanwezige bedrijfsfuncties; uitbreiding van een milieugevoelige functie (bijvoorbeeld wonen of een kinderdagverblijf) milieukundige inpasbaar is met het oog op een goed woon- en leefklimaat; uitbreiding van een milieuhinderlijke functie geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving tot gevolg heeft; voordat de omgevingsvergunning wordt verleend zover nodig advies wordt ingewonnen bij de Omgevingsdienst West-Holland over de relevante milieuaspecten (o.a. bedrijf en milieuzonering, externe veiligheid, Wet milieubeheer, Wet natuurbescherming, Wet geluidhinder); omliggende bebouwing, balkons en tuinen geen onevenredige schaduwhinder ondervinden door schaduwwerking, de strenge TNO-norm wordt gehanteerd voor de beoordeling of omliggende bebouwing nog voldoende zon ontvangt; bewoners van omliggende woningen geen onevenredige hinder op privacy ondervinden door inkijk e.d; de uitbreiding passend is in het straatbeeld qua vorm, materiaalgebruik, gevelopeningen, textuur; bij uitbreiding van een gebouw met de functie detailhandel de uitbreiding in metrages moet passen binnen het gemeentelijke, regionale detailhandelsbeleid en provinciale detailhandelsbeleid, zo nodig wordt advies gevraagd aan de Adviescommissie Detailhandel; bij uitbreiding van een gebouw met een milieuhinderlijke functie (bedrijfsfunctie) er wordt aangetoond dat uitbreiding van het bedrijf inpasbaar is in de omgeving (onderzoek naar ‘bedrijf- en milieuzonering’); voordat de omgevingsvergunning wordt verleend advies wordt ingewonnen bij de Omgevingsdienst West-Holland ten aanzien van de milieueffecten van de uitbreiding van het bedrijf op de omgeving; indien op de locatie een dubbelbestemming ‘Waarde - Cultuurhistorie 1’ of ‘Waarde – Cultuurhistorie 2’ geldt voordat de omgevingsvergunning wordt verleend advies wordt ingewonnen omtrent de gevolgen voor de cultuurhistorische waarden; de uitbreiding niet in strijd is met de regels uit de provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland. een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemde eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 5 m, en de oppervlakte niet meer dan 50 m2. Toepassing: Aan dergelijke bouwwerken van algemeen nut wordt meegewerkt in overleg met de beheerder van de openbare ruimte. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 10 m , en de oppervlakte niet meer dan 50 m2. Toepassing: Voor bouwwerken die voldoen aan de kenmerken van lid 3 kan vergunning worden verleend mits de noodzaak is aangetoond en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig zijn onderbouwd. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw; Toepassing: Dakkapellen Voor het toestaan van dakkapel zijn in de Welstandsnota Leiderdorp (2016) duidelijke criteria geformuleerd. Deze criteria voor dakkapellen vormen de uitvoeringsregels waarbinnen medewerking kan worden verleend aan een omgevingsvergunning. Op grond van de Welstandsnota Leiderdorp 2016 zijn grote gebieden aangewezen als welstandsvrij, waardoor dakkapellen aan de voorkant vergunningsvrij zijn geworden, mits ze voldoen aan de in het Besluit omgevingsrecht opgenomen situerings- en maatvoeringregels. Dakopbouwen Aan de uitbreiding van woningen met een extra bouwlaag wordt alleen meegewerkt als het bestaande bouwblok daar aanleiding toe geeft. Zo zijn er plekken waar de bestaande bebouwing 2 lagen zonder kap is en sinds langere tijd woningen worden uitgebreid met een kap of terugliggende dakopbouw. Als niet sprake is van een duidelijke trend moet de aanvraag worden beoordeeld aan de hand van het afwegingskader (Zie themabladen). Voor die situaties waar wel wordt meegewerkt geldt: Gebouw, een woning of woongebouw zijnde Voor dakopbouwen op hoofdgebouwen gelden de regels opgenomen in het Themablad ‘Dakopbouwen op hoofdgebouwen’ Kap op aangebouwd of vrijstaand bijgebouw Binnen bestemmingsplannen wordt veelal de mogelijkheid geboden om een kap op aanbouwen en/of bijgebouwen te realiseren. Voor een kap op een aan- of bijgebouw geldt het themablad ‘Kap op een aan- of bijgebouw’. Dakterrassen Voor dakterrassen gelden de regels opgenomen in het Themablad ‘Dakterrassen’ een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m. Toepassing: Afwijking wordt verleend overeenkomstig de beleidsnota ‘randvoorwaarden bij plaatsing van antenne in Leiderdorp’. een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998. Toepassing: Leiderdorp heeft geen glastuinbouwbedrijven waarvoor deze afwijking van toepassing is. een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen; Toepassing: Omdat de verwachting is dat dit zeer sporadisch voorkomt per geval bezien of aan deze mogelijkheid toepassing wordt gegeven. het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied; Toepassing: Eerst moet nog ervaring worden opgedaan waar dit voor wordt gebruikt, anders dan het in de toelichting op de Bor gegeven voorbeeld van parkeren in de bestemming Groen. Voor dat voorbeeld kan op basis van nu geldend beleid zoals het Groenstructuurplan met voorkomende aanvragen worden omgegaan. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen; Toepassing: De wens om voor een beperkt gebouwoppervlak ander gebruik toe te staan dan in het bestemmingsplan is opgenomen komt regelmatig voor. Voor de Leiderdorpse praktijk gaat het bijvoorbeeld om het toestaan van een kantoor of winkel in een bedrijfspand. Daarnaast wordt het ook gebruikt om vormen van bedrijvigheid aan huis toe te staan op plekken waar dit nog niet in het bestemmingsplan is geregeld. Bedrijvigheid aan huis binnen de bebouwde kom Voor toepassing van de afwijkingsmogelijkheden voor een aan-huis-verbonden bedrijf geldt de regeling overeenkomstig nieuwe bestemmingsplannen, waarin wordt toegestaan: Aan huis verbonden beroep of bedrijf, mits de oppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van het vloeroppervlakte van de gebouwen waarbij geldt dat: bedrijven maximaal in de categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan of bedrijven die voor wat betreft de aard en de omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf in de categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; de activiteit alleen in de woning of aangebouwde bijgebouw mag worden uitgeoefend; buitenopslag niet is toegestaan; geen detailhandel of horeca is toegestaan; er geen onevenredige toename van de verkeersbelasting in de omgeving mag optreden; er geen onevenredige druk op de bestaande parkeermogelijkheden bij de woning en in de omgeving van de woning mag ontstaan; de vestiging van een Bed & breakfast is toegestaan Voor beroep-aan-huis geldt overigens dat deze wordt gezien als onderdeel van de woonbestemming. Daarvoor is dus geen aparte vergunning noodzakelijk. Om inzicht te geven in de reikwijdte van het begrip beroep-aan-huis is daarom in april 2013 een notitie opgesteld die als bijlage bij dit beleid is gevoegd. Voor bedrijf-aan-huis is wel een omgevingsvergunning nodig, omdat hierbij in ieder geval moet worden beoordeeld op de verkeersaspecten onder 5 en 6. Daarnaast wordt ook bekeken of de bedrijfsvoering in de woonomgeving past. Aan huis verbonden beroep of bedrijf in een vrijstaand bijgebouw Voor een beroep-aan-huis of bedrijf-aan-huis is daarnaast vergunning nodig als het wordt gevestigd in een vrijstaand bijgebouw. Dit onderscheid wordt gemaakt omdat hierbij het risico aanwezig is dat de bedrijfsvoering geen relatie (meer) heeft met de woonfunctie. Zo is een schuur of een garagebox die direct vanaf de openbare weg te bereiken is ook los van de woning te gebruiken. In dat geval is geen sprake van ‘aan-huis-verbonden’. Daarnaast voldoen veel vrijstaande bijgebouwen ook niet aan de eisen voor verblijfsruimte. In de aanvraag moeten die aspecten dus worden meegenomen. In bestemmingsplannen is deze mogelijkheid als een aparte afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Daarvoor gelden dezelfde criteria als hierboven, met uitzondering de eis dat alleen de woning of aanbouw mag worden gebruikt. In bestemmingsplannen is daaraan toegevoegd: het gebruik heeft slechts een beperkte ruimtelijke uitstraling; Voor het beoordelen van deze aanvullende voorwaarde is van belang dat het bijgebouw het karakter van een bijbehorend bouwwerk behoud. Het bijgebouw moet dus niet door gebruik of verschijningsvorm ervaren worden als een hoofdgebouw. Andere wijzigingen van gebruik binnen de bebouwde kom Voor toepassing van de afwijkingsmogelijkheden ten aanzien van wijziging in het gebruik van gebouwen geldt dat: het nieuwe gebruik een ruimtelijke uitstraling heeft die zich verdraagt met de omgeving; er mag geen onevenredige toename van de verkeersbelasting en de parkeerdruk in de omgeving ontstaan. Het gemeentelijk parkeerbeleid is van toepassing voor de parkeertoetsing. toepassing; een omzetting van een functie naar wonen geen onevenredige beperkingen mag veroorzakenvoor in de omgeving aanwezige bedrijfsfuncties ; bij omzetting van een functie in detailhandel moet de detailhandelsfunctie en uitbreiding van metrages passen binnen het gemeentelijke enregionale en provinciale detailhandelsbeleid. zo nodig wordt advies gevraagd de Adviescommissie Detailhandel. bij omzetting van een functie in bedrijfsmatige activiteiten er wordt aangetoond dat het bedrijf inpasbaar is in de omgeving (onderzoek naar ‘bedrijf- en milieuzonering’); bij omzetting naar een milieugevoelige functie (bijvoorbeeld wonen of een kinderdagverblijf) wordt de milieukundige inpasbaarheid, met het oog op een goed woon- en leefklimaat, aangetoond; voordat de omgevingsvergunning wordt verleend zover nodig advies wordt ingewonnen bij de Omgevingsdienst West-Holland over de relevante milieuaspecten (o.a. bedrijf en milieuzonering, externe veiligheid, Wet milieubeheer, Wet natuurbescherming, Wet geluidhinder); de functieverandering niet in strijd is met de regels uit de provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland. het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen; de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden, de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was; Toepassing: Geen omgevingsvergunning wordt verleend voor het wijzigen van het gebruik van een recreatiewoning voor permanente bewoning. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar. Toepassing: Omdat de verwachting is dat dit zeer sporadisch voorkomt wordt per geval beoordeeld of aan deze mogelijkheid toepassing wordt gegeven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel