1. De reserves, voor zover deze (deels) met subsidiegelden zijn opgebouwd, mogen op de laatste dag van enig boekjaar niet hoger zijn dan tien procent van de in de begroting opgenomen baten afkomstig van subsidies van het desbetreffende boekjaar. Als dit wel het geval is, wordt de subsidie lager vastgesteld tot het bedrag waarmee wel aan deze voorwaarde is voldaan.
2. Maximaal tien procent van de in een boekjaar ontvangen subsidiegelden mag worden gebruikt voor vermogensvorming en reservering. Als dit percentage hoger is, wordt de subsidie lager vastgesteld tot het bedrag waarmee wel aan deze voorwaarde is voldaan.
3. Op ontvangers van een meerjarensubsidie is afdeling 4.2.8. van de Awb van toepassing.
4. Voor zover het verstrekken van subsidie heeft geleid tot vermogensvorming is de subsidieontvanger aan de gemeente een vergoeding verschuldigd van maximaal het met subsidie opgebouwde vermogen, met inachtneming van de reguliere afschrijving, als:
a. de subsidieontvanger de voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt, bezwaart of de bestemming ervan wijzigt;
b. de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd;
c. de rechtspersoon wordt ontbonden;
d. de subsidierelatie wordt beëindigd.