In deze verordening wordt verstaan onder:
het college: college van burgemeester en wethouders;
wet: Participatiewet;
bijstandsnorm:
1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet, of
2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW)of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) voor zover er sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ;
uitkering: algemene bijstand op grond van de wet of een inkomensvoorziening op grond van de IOAW of de IOAZ;
belanghebbende: persoon die uitkering aanvraagt of ontvangt;
maatregel: verlagen van de bijstand als bedoeld in artikel 18, lid 2, 5 en 6 van de wet, artikel 20 en artikel 38, twaalfde lid van de IOAW en artikel 20 en artikel 38, twaalfde lid van de IOAZ;
geüniformeerde arbeidsverplichtingen: arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de wet, waarvoor bij schending een verlaging van 100 procent moet worden opgelegd gedurende ten minste een maand en ten hoogste drie maanden;
niet-geüniformeerde arbeidsverplichtingen: overige arbeidsverplichtingen;
bijzondere bijstand: bijzondere bijstand met toepassing van artikel 12 van de wet.
Hoofdstuk 1.
Artikel 1.
Begrippen
Onderdeel van Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015