Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Langdurigheidstoeslag 2012
Toelichting Verordening Langdurigheidstoeslag 2012
Algemeen
Op grond van artikel 8, eerste lid, onderdeel d, WWB dient de gemeenteraad bij verordening regels vast te leggen met betrekking tot het verlenen van een langdurigheidstoeslag.
Deze regels dienen in ieder geval betrekking te hebben op de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het begrip langdurig, laag inkomen, zoals die in artikel 36, eerste lid, WWB wordt gebruikt. Tevens dient in de verordening de hoogte van de toeslag te zijn vastgelegd.
Artikel 36, eerste lid, WWB vermeldt tot slot als criterium dat belanghebbende (op de peildatum) geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. Volgens de toelichting bij dat artikel wordt hiermee gewaarborgd dat bepaalde groepen met een goed arbeidsmarktperspectief, zoals studenten, niet in aanmerking komen voor een langdurigheidstoeslag.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Met betrekking tot het begrip ‘inkomen’ is een van de WWB afwijkende definitie opgenomen. Nu de wetgever de gemeenteraad opdracht gegeven heeft om in de verordening regels te geven met betrekking tot het begrip ‘langdurig, laag inkomen’ is de gemeenteraad bevoegd om dit begrip voor de toepassing van artikel 36, eerste lid, WWB nader te definiëren. Met de gebruikte definitie wordt aangesloten bij de in de bestaande uitvoeringspraktijk gehanteerde (en ook door de wetgever bedoelde) invulling van het begrip inkomen in artikel 36, eerste lid, WWB.
Met de omschrijving van het begrip peildatum wordt beoogd dat de langdurigheidstoeslag met terugwerkende kracht kan worden aangevraagd, namelijk vanaf de datum waarop men aan alle voorwaarden voldoet. De peildatum is niet de aanvraagdatum, maar de datum waarop aan alle voorwaarden is voldaan.
Artikel 2
Dit artikel spreekt voor zich.
Artikel 3
Nadat belanghebbenden drie jaar op een minimum inkomen zijn aangewezen is er over het algemeen niet veel reserveringsruimte over. Daarom wordt hier voor langdurig een termijn van drie jaar aangehouden. Het begrip ‘langdurig, laag inkomen’ wordt ingevuld als een inkomen dat niet hoger is dan 110% van de bijstandsnorm.
Artikel 4
Om niet jaarlijks de verordening aan te hoeven passen is ervoor gekozen om de hoogte van de langdurigheidstoeslag jaarlijks automatisch mee te laten bewegen met de bijstandsnormen.
Indien er sprake is van gehuwden, waarvan één persoon geen recht heeft op bijstand, wordt tot 1 januari 2012 de langdurigheidstoeslag vastgesteld naar de norm voor een alleenstaande of alleenstaande ouder. Dit blijft zo, als er sprake is van een gezin dat slechts uit gehuwden bestaat.
In het derde lid is tot uitdrukking gebracht dat als in de verordening voorzien is in een specifieke bepaling die dat regelt, die bepaling wordt vervangen door een bepaling die regelt dat als er tot het gezin een niet-rechthebbende behoort, dit slechts tot aanpassing van de hoogte van de langdurigheidstoeslag leidt als er slechts één rechthebbend gezinslid overblijft.
Artikel 5, 6, 7 en 8
Deze artikelen spreken voor zich.