1. Het college stelt de subsidie vast op basis van de ontvangen aanvraag tot vaststelling en artikel 4:46 van de Awb.
2. De realisatie van de activiteiten wordt beoordeeld op basis van de samenhang van de activiteiten, de kwaliteit van de uitvoering en het nakomen van alle aan de subsidie verbonden verplichtingen. De subsidie kan evenredig lager worden vastgesteld op basis van de realisatie dan wel op nihil worden vastgesteld, als:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet conform het besluit tot verlening zijn gerealiseerd;
b. de activiteiten zijn gerealiseerd tegen lagere kosten of met hogere inkomsten dan waarvoor subsidie is verleend.
3. Het college kan in een besluit bepalen dat het bedrag waarmee de subsidie lager vastgesteld kan worden op grond van het tweede lid door de subsidieontvanger ten behoeve van specifieke activiteiten ingezet dient te worden.
4. Het college kan in een besluit bepalen dat het bedrag waarmee de subsidie lager vastgesteld kan worden op grond van het tweede lid door de subsidieontvanger mag worden toegevoegd aan een bestemmingsfonds subsidies. Dit bestemmingsfonds is een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72 van de Awb. Dit bestemmingsfonds dient zichtbaar te worden opgenomen in de financiële verantwoording conform artikel 17.
5. Het bestemmingsfonds bedoeld in het vierde lid mag uitsluitend worden ingezet ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten van de gemeente Utrecht. Het college kan in een besluit nadere eisen stellen aan de inzet van dit bestemmingsfonds.
Hoofdstuk 5
Artikel 19
Vaststelling van de subsidie
Onderdeel van Algemene Subsidieverordening (ASV) gemeente Utrecht