Bij monitoring staat de vraag centraal of de geleverde inspanningen hebben bijgedragen aan het realiseren van de doelstellingen. Monitoring is het periodiek meten van dezelfde indicatoren om de voortgang te kunnen volgen. Idealiter is dit datagedreven, waardoor de voortgang van de uitvoering van het beleid en het uitvoeringsprogramma gemeten wordt (Bor, art. 7.6). Monitoring kan op verschillende niveaus plaatsvinden. Zo kunnen effecten in de leefomgeving gemeten worden aan de hand van output en outcome indicatoren. De OD NZKG rapporteert aan de deelnemers over de voortgang van de uitvoering van de VTH-taken zoals opgenomen in het uitvoeringsprogramma.
Kritische prestatie-indicatoren (KPI’s) worden gebruikt om iets te kunnen zeggen over het handelen van de omgevingsdiensten. Voor de Brzo-taken is een conceptoverzicht ontwikkeld in overleg met de provincies Noord-Holland, Flevoland en Utrecht. Voor de andere VTH-taken zijn er indicatoren geformuleerd zoals naleefgedrag, doorlooptijden, actualiteit vergunningen en aantallen controles. De OD NZKG verantwoordt hierover door middel van voortgangsrapportages aan de deelnemers.
Monitoring is belangrijk om te achterhalen of de geformuleerde doelstellingen zijn behaald. Daarnaast kan monitoring ook informatie genereren die belangrijk is voor het eventueel bijstellen van prioriteiten en de inzet van capaciteit. De monitoring van de indicatoren voedt de evaluatie. De evaluatie verzorgt de sluiting van de big-8 cyclus en tevens de opening voor het opnieuw doorlopen van de cyclus. De evaluatie en de rapportage fungeren namelijk als basis voor het opstellen en eventueel aanpassen van het beleid en het opstellen van het uitvoeringsprogramma.
Hoofdstuk 8
Artikel 8.1