Aan de regel voor de omgang met hemelwater en grondwater zo duurzaam mogelijk wordt ondervangen, wordt voldaan indien:
voldoende maatregelen zijn getroffen om hemelwater en grondwater vast te houden voor droge en warme periodes;
hemelwater vertraagd wordt afgevoerd om een piekafvoer te voorkomen;
waterschade aan panden en wateroverlast voor bewoners wordt voorkomen;
geen stilstaand water blijft staan waarin bijvoorbeeld muggenlarven zich kunnen ontwikkelen;
overtollig hemelwater voldoende kan worden afgevoerd naar de bodem (grondwater) of rechtstreeks naar oppervlaktewater;
overtollig grondwater kan worden afgevoerd naar oppervlaktewater;
er geen probleemafwenteling plaatsvindt vanwege de afvoer van water naar naastgelegen percelen;
er waterdoorlatende verharding wordt toegepast.
Artikel 7.