Het doel van deze nadere regel is reguliere peuterplaatsen en VVE-peuterplaatsen toegankelijk te maken voor alle peuters, zowel voor peuters met als zonder VVE-indicatie.
Artikel 3 Reikwijdte
Het bepaalde in deze nadere regel is enkel van toepassing op subsidies die door het college worden verstrekt voor reguliere peuterplaatsen en VVE-peuterplaatsen.
Artikel 4 Subsidieaanvrager
De subsidie wordt aangevraagd door de houder van het kindercentrum en is gevestigd in de gemeente en opgenomen in het LRK.
Artikel 5 Aanvullende subsidievoorwaarden
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient de houder aan de volgende subsidievoorwaarden te voldoen:
De houder voldoet aan alle geldende wet- en regelgeving en landelijke kwaliteitseisen (4);
De houder werkt mee aan de uitvoering van het gemeentelijk beleid met betrekking tot de ontwikkeling van het jonge kind (5);
De houder houdt een kortdurend aanbod voor peuters in een kindercentrum in stand, anders dan kinderdagopvang.
Artikel 6Grondslag subsidie reguliere peuterplaats enVVE-peuterplaats
1. De grondslag voor subsidie is het werkelijk aantal peuters x het aantal uren voor een
reguliere peuterplaats en een VVE-peuterplaats x de kostendekkende uurprijs –
de inkomensafhankelijke ouderbijdragen (van ouders die geen recht hebben op
kinderopvangtoeslag).
2. Het college stelt jaarlijks voor 1 oktober de hoogte van de subsidie vast voor:
Peuters die een reguliere peuterplaats bezetten, en waarvan de ouders aantoonbaar geen recht hebben op kinderopvangtoeslag;
Peuters die een reguliere peuterplaats bezetten, en waarvan de ouders aantoonbaar wel recht hebben op kinderopvangtoeslag;
VVE-peuters die een VVE-peuterplaats bezetten, en waarvan de ouders aantoonbaar geen recht hebben op kinderopvangtoeslag;
VVE-peuters die een VVE-peuterplaats bezetten, en waarvan de ouders aantoonbaar wel recht hebben op kinderopvangtoeslag.
3. De gemeente subsidieert voor VVE-peuters het derde en vierde dagdeel VVE, is 5,5
uur per week verdeeld over 2 dagdelen x 40 weken per jaar.
4. De subsidie wordt verleend voor het tijdvak van een kalenderjaar.
5. De houder biedt op alle groepen VVE aan, ongeacht of er VVE-peuters aanwezig zijn.
De groepen zijn gemengd om integratie te bevorderen.
6. De houder geeft bij plaatsing voorrang aan VVE-peuters.
7. Voor een reguliere peuterplaats geldt een verplichting van deelname van 2 dagdelen per
week. Bij een VVE-peuterplaats geldt een verplichting van 4 dagdelen per week. De
gemeentelijke subsidie vervalt voor peuters die minder dagdelen komen. Indien de
peuter de reguliere peuterplaats of VVE-peuterplaats niet het gehele jaar bezet, wordt
de subsidie naar rato verstrekt.
8. De subsidie eindigt met ingang van de datum waarop de peuter, om welke reden dan
ook, de voorschoolse voorziening verlaat.
Artikel 7 VVE-peuters in de kinderdagopvang
1. Het college stelt jaarlijks voor 1 oktober de hoogte van de subsidie vast voor
VVE-peuters in de kinderdagopvang.
2. De gemeente subsidieert voor VVE-peuters in de kinderdagopvang het derde en vierde
dagdeel VVE, is 5,5 uur per week verdeeld over 2 dagdelen x 40 weken per jaar.
3. De overige bepalingen uit de nadere regel zijn van toepassing met uitzondering van
artikel 8 en 9.
Artikel 8 Inkomensafhankelijke ouderbijdrageeerste en tweede dagdeel
1. Alle ouders betalen over het eerste en tweede dagdeel, is 5,5 uur per week verdeeld over
2 dagdelen x 40 weken per jaar, een inkomensafhankelijke ouderbijdrage conform de
adviestabel VNG.
2. De hoogte van de ouderbijdrage wordt, voor ouders die geen recht hebben op
kinderopvangtoeslag, bij de start van elk kind, door de houder vastgesteld op basis van
het gezamenlijk toetsingsinkomen gezin. Hiertoe wordt door ouders een
inkomensverklaring overgelegd.
3. De ouderbijdrage wordt betaald aan de houder.
4. De houder int zelf de ouderbijdrage en is verantwoordelijk voor het bijbehorende
risico van niet-betalers.
Artikel 9 Maximumuurtarief
Alle ouders betalen niet meer daneen maximumuurtarief.
Dit maximumuurtarief is gelijk aan het maximumuurtarief voor de kinderopvang van de Belastingdienst. Het maximumuurtarief wordt jaarlijks door de Belastingdienst vastgesteld.
Artikel 10 Kostendekkende uurprijs
De gemeente betaalt aan de houder een kostendekkende uurprijs voor een reguliere peuterplaats en een VVE-peuterplaats.
Het college stelt jaarlijks voor 1 oktober de kostendekkende uurprijs vast.
Artikel 11 Subsidieplafond
1. De raad stelt jaarlijks bij de begrotingsbehandeling het subsidieplafond vast.
2. Indien het totaal van de aangevraagde subsidie het vastgestelde subsidieplafond
overschrijdt, wordt voorrang gegeven aan VVE-peuters.
Artikel 12 Subsidieaanvraag en verlening
1. De houder dient jaarlijks schriftelijk vóór 30 novembereen aanvraag om
subsidieverlening in bij het college. De aanvraag heeft betrekking op het nieuwe
kalenderjaar.
2. Op de aanvraag om verlening van subsidie is de Algemene subsidieverordening
van toepassing.
3. De aanvraag om subsidieverlening omvat:
Een overzicht van een reële inschatting van het aantal bezette reguliere peuterplaatsen en VVE-peuterplaatsen voor het nieuwe kalenderjaar,verdeeld in ouders die recht hebben op kinderopvangtoeslag en ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag.
Voor de aanvraag wordt gebruik gemaakt van een door de gemeente beschikbaar gesteld
Format.
4. Het college beslist uiterlijk binnen 8 weken op de aanvraag.
5. Het college kan het besluit met ten hoogste 6 weken verdagen. Het college stelt de
houder hiervan in kennis.
Artikel 13Subsidievaststelling
1. De houder dient jaarlijks schriftelijk vóór 1 junieen aanvraag tot
subsidievaststelling in bij het college. De aanvraag heeft betrekking op het
voorgaande kalenderjaar.
2. Op de aanvraag tot subsidievaststelling is de Algemene subsidieverordening
van toepassing.
3. De aanvraag tot subsidievaststelling omvat:
Een inhoudelijk verslag dat een beschrijving bevat van de:
- wijze waarop de brede ontwikkeling van het kind gevolgd wordt;
- wijze van evaluatie van begeleiding, kwaliteit en resultaten;
- wijze waarop gericht ouderenbeleid wordt gevoerd;
- informatieoverdracht bij overgang van kindercentrum naar basisschool, en
- samenwerking met andere organisaties.
Een overzicht van het werkelijke aantal bezette reguliere peuterplaatsen en VVE-peuterplaatsen, verdeeld in ouders die recht hebben op kinderopvangtoeslag en ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag en voorzien van uren regulier peuterwerk en VVE dat is afgenomen. Tevens wordt inzichtelijk gemaakt het totaal aan inkomsten ontvangen ouderbijdrage van ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag.
Voor het overzicht wordt gebruik gemaakt van een door de gemeente beschikbaar gesteld format.
Indien het subsidiebedrag hoger is dan € 100.000,=, een accountantsverklaring. De verklaring geeft een oordeel of de subsidie ook werkelijk is gebruikt waarvoor de subsidie is verleend.
Andere door het college noodzakelijk geachte bescheiden.
4. Indien uit de vaststelling blijkt dat er sprake is van minder bezette reguliere
peuterplaatsen en VVE-peuterplaatsen dan waarop de subsidieverlening was gebaseerd
kan het te veel aan subsidie worden teruggevorderd.
5. Het college beslist uiterlijk binnen 8 weken op de aanvraag.
6. Het college kan het besluit met ten hoogste 6 weken verdagen. Het college stelt de
houder hiervan in kennis.
Artikel 14Aanvullende verplichtingen houder
1. De houder verstrekt 2 keer per jaar, per teldatum 1 oktober en 1 april, een overzicht van
het aantal peuters die deelnemen aan het reguliere peuterwerk en VVE. Voor het
overzicht wordt gebruik gemaakt van een door de gemeente beschikbaar gesteld format.
2. De houder dient een registratie bij te houden. Deze registratie omvat gegevens met
betrekking tot de peuter en ouders:
een door de ouders ondertekend contract met daarin de namen, adres(sen) en BSN van ouders;
bewijs geen recht op kinderopvangtoeslag;
naam, geboortedatum en BSN van de peuter waarop de subsidie betrekking heeft;
indien het gaat om een VVE-peuterplaats, een bewijs van indicatiestelling VVE van het consultatiebureau.
De houder kan deze gegevens indien gewenst, binnen een redelijke termijn beschikbaar
stellen aan de gemeente.
3. De houder verleent medewerking aan een (on)aangekondigde controle van het college,
Inspectie van het Onderwijs en de GGD. De controle kan gericht zijn op het toetsen van
de kwaliteit van de voorschoolse voorziening als ook op de inhoud en de juistheid van de
gegevens conform lid 2.
Artikel 15Bevoorschotting en betaling
1. Indien de beschikking tot subsidieverlening meer dan € 25.000,= bedraagt gaat het
college over tot bevoorschotting van de subsidie. Het college bepaalt de hoogte van het
voorschot en het aantal termijnen waarin dit betaalbaar wordt gesteld. Voorschotten
worden verrekend bij de vaststelling van de subsidie.
2. De subsidie wordt uitbetaald aan de houder.
Artikel 16Aanvullende bevoegdheid
In die gevallen, waarin deze nadere regel niet voorziet, beslist het college.
Artikel 17 Hardheidsclausule
Het college kan artikelen van deze nadere regel buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het doel van deze nadere regel leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 2
Doel
Onderdeel van Nadere regel subsidiëring regulier peuterwerk en voor- en vroegschoolse educatie gemeente Asten 2019