Naar hoofdinhoud
Lid 1 Voor de berekening van het aantal vakantiedagen wordt één werkdag bij een volledige betrekking gelijk gesteld aan 7,2 vakantie-uren. Lid 2 In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt bij het opnemen van vakantieverlof het aantal vakantie-uren afgeschreven, dat de medewerker op de betreffende dag(en) feitelijk zou moeten werken. Hierbij wordt gekeken naar het rooster of de vastgelegde basisafspraken tussen leidinggevende en medewerker. Lid 3 De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3 deel, en in elk geval één maal per jaar voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend verleend. Lid 4 De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat betreft de aaneengesloten periode zoals bedoeld in lid 3, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. Lid 5 Het verlof dient vooraf bij de leidinggevende te worden aangevraagd. In beginsel wordt de vakantie op verzoek van de ambtenaar verleend, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.

Rechtspraak bij dit artikel