Naar hoofdinhoud
1.. Het algemeen bestuur bestaat uit minimaal zes en maximaal tien leden, waaronder de voorzitter. 2.. De raden wijzen uit hun midden en hun colleges ieder een of twee leden voor het algemeen bestuur. 3.. De raden wijzen voor elk door hun aangewezen lid van het algemeen bestuur ook één plaatsvervangend lid aan, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Hetgeen in deze regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt. 4.. De raden beslissen in de eerste vergadering van hun wettelijke zittingsperiode over de aanwijzing als bedoeld in het vorige lid. 5.. Indien tussentijds een vacature in het algemeen bestuur ontstaat, wijst de betreffende raad zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid. 6.. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt als de zittingsperiode van de raad afloopt, of indien de zittingsperiode van het college tussentijds beëindigd wordt of indien het lidmaatschap van het college, waaruit het betreffende lid afkomstig is, tussentijds beëindigd wordt. 7.. In geval van het bestaan van een of meer vacatures blijft het algemeen bestuur bevoegd besluiten te nemen.

Rechtspraak bij dit artikel