Indien als gevolg van een overtreding van de inlichtingenplicht sprake is van een benadelingsbedrag wordt de hoogte van de boete vastgesteld volgens de uitgangspunten genoemd in artikel 2 lid 1 tot en met lid 8 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten.
Gelet op artikel 2 lid 9 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten dient het college opzet of grove schuld te bewijzen indien er vermoedens zijn dat er bij de overtreding van de inlichtingenplicht sprake is van grove schuld of opzet. Het college baseert zich voor het bewijs op de door hem gestelde en door betrokkende niet of niet voldoende weerlegde vermoedens die gebaseerd zijn op feiten.
De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete rust op de belanghebbende. Indien het college op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden. Het college sluit hierbij aan bij de bepalingen zoals is bedoeld in artikel 2 lid 10 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten.
Artikel 4
Berekening van de hoogte van de boete
Onderdeel van Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ Stadskanaal 2019