Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 34.

Doelgroep chronisch zieken en gehandicapten

Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid Voorschoten 2020-2

1.. De belanghebbende vanaf 18 jaar die aantoonbare meerkosten heeft vanwege het feit dat belanghebbende chronisch ziek of gehandicapt is of de belanghebbende die de zorg heeft voor een tot zijn last komend chronisch ziek of gehandicapt kind , die een inkomen ontvangt dat niet hoger is dan maximaal 110% van de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm en die niet in een inrichting verblijft, komt in aanmerking voor bijzondere bijstand voor deze kosten. 2.. Onder chronisch zieken en gehandicapten worden verstaan: personen die 1 jaar of langer onafgebroken gebruikmaken van thuiszorg of voorafgaand een indicatie ontvangen voor ten minste 1 jaar of; gebruik maken van een persoonsgebonden budget (PGB) voor zorg op grond van de Jeugdwet / Wlz / ZVW of; gebruik maken van een periodiek verstrekte WMO-voorziening (zoals taxivergoeding, rolstoel, hulpmiddelen in woning, dagbesteding) of; een uitkering ontvangen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering / Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen / Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of; beschikken over een invalidenparkeerkaart met de duur van ten minste 1 jaar. 3.. Onder ‘bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan’ worden onder meer de volgende kosten verstaan, nader omschreven als ‘verborgen kosten’: kosten van bloemen en aankopen gericht op geven van waardering voor een verzorger, extra telefoonkosten, bijdrage in extra reiskosten, contributie patiëntenvereniging. Deze opsomming is niet limitatief; de bijzondere bijstand wordt per persoon toegekend tot een maximumbedrag per kalenderjaar, mits aangevraagd in dat kalenderjaar.

Rechtspraak bij dit artikel