Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6

Artikel 6.5

Overgangsbepaling

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2019

1.. Vergunningen en ontheffingen verleend krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid blijven - indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht tot de termijn waarvoor zij worden verleend is verstreken of totdat zij worden ingetrokken. 2.. Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid blijven - indien en voor zover de bepalingen in gevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn opgelegd ook zijn vervat in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht tot de termijn waarvoor zij worden verleend is verstreken of totdat zij worden ingetrokken. 3.. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast. 4.. Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid. 5.. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde orgaan is ingediend, 6.. Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing krachtens deze verordening is vereist en die niet voorkomen in de verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, zijn niet van toepassing: gedurende twaalf weken na het in werking treden van deze verordening; ook na de onder a. bepaalde termijn, voor zover degene die op grond van deze verordening een vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag voor deze vergunning of ontheffing heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist. 7.. De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening vastgestelde nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop deze regels en besluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel