Naar hoofdinhoud
1.. Indien belanghebbende een inkomen heeft tot 120% van de voor hem of haar van toepassing zijnde bijstandsnorm bedraagt de aflossingsverplichting 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand, exclusief vakantietoeslag. 2.. De aflossingscapaciteit van de belanghebbende met een inkomen boven 120% van de voor hem of haar geldende bijstandsnorm bedraagt het in lid 1 bedoelde bedrag, vermeerderd met 50% van het inkomen boven de 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag. 3.. In afwijking van het eerste lid en tweede lid wordt de aflossingsverplichting voor fraudevorderingen ontstaan op of na 1 januari 2013 en de opgelegde bestuurlijke boete bij een eerste overtreding bepaald op tenminste 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, tenzij bij de berekening van de beslagvrije voet rekening gehouden is met alle correcties en op basis daarvan een lagere beslagvrije voet dan 95% van de toepasselijke bijstandsnorm voor belanghebbende geldt conform de berekening van de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 4.. In geval van beslaglegging door een derde (dat wil zeggen een andere schuldeiser dan het college), kan de aflossingsverplichting ingevolge de bovengenoemde leden voor alle vorderingen worden bepaald op tenminste 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, tenzij bij de berekening van de beslagvrije voet rekening gehouden is met alle correcties en op basis daarvan een lagere beslagvrije voet dan 95% van de toepasselijke bijstandsnorm voor belanghebbende geldt conform de berekening van de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Rechtspraak bij dit artikel