Naar hoofdinhoud

Artikel 9

Ontstaan van belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van havengeld 2020

1.. Het havengeld is verschuldigd bij de aanvang van het kalenderjaar, of indien de belastingplicht in de loop van het kalenderjaar aanvangt, bij de aanvang van de belastingplicht. 2.. Indien de belastingplicht in de loop van het kalenderjaar aanvangt, wordt het havengeld naar een termijn van een belastingjaar geheven, berekend over zoveel driehonderd vijfenzestigste gedeelten als na de aanvang van de belastingplicht nog volle dagen in het belastingjaar overblijven. 3.. Indien de belastingplicht in de loop van het kalenderjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel driehonderd vijfenzestigste gedeelten van de voor dat belastingjaar verschuldigde belasting als er in het belastingjaar, na het einde van de belastingplicht nog volle dagen overblijven, tenzij blijkt dat het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 5,00. 4.. Indien een vaartuig wordt vervangen door een ander vaartuig, wordt het voor het vervangende vaartuig over de nog niet verstreken periode van de lopende termijn verschuldigde havengeld op schriftelijke aanvraag van de belastingplichtige verrekend met het verschuldigde havengeld over die periode voor het vervangende vaartuig, met dien verstande dat, indien het laatstgenoemd havengeld lager is dan het betaald, teruggave van het verschil niet plaatsvindt. 5.. Indien de belastingplichtig eindigt na dagtekening van het aanslagbiljet, kan de belastingplichtige een aanvraag tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met de heffing. 6.. De belasting wordt niet geheven, indien het totale belastingbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, minder dan € 5,00 bedraagt.

Rechtspraak bij dit artikel