1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in drie gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens twee maanden later.
2. Indien de dagtekening van de aanslag op of na 1 augustus van het kalenderjaar valt, worden de tweede en derde betalingstermijn verkort tot één maand;
3. Indien de dagtekening van de aanslag na het kalenderjaar ¬valt, dient de aanslag te worden voldaan in twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn één maand later.
4. In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschre¬ven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
5. In afwijking van het vierde lid geldt dat ingeval de dagtekening van de aanslag valt op of na 1 augustus van het kalenderjaar, wordt het aantal incasso termijnen bepaald op het aantal nog resterende ¬volle ka¬lender¬maanden van het kalenderjaar plus drie.
6. In afwijking van het vierde lid geldt dat ingeval de dagtekening van de aanslag valt na het kalenderjaar, wordt het aantal incasso termijnen bepaald twee.
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel gestelde termijnen.
Artikel 7
Termijnen van betaling
Onderdeel van de Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2020