1. Het eigenarendeel, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, letter a wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.
2. Het gebruikersdeel, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, letter b wordt geheven naar het aantal kubieke meters water voor zover dit uitgaat boven de 250 kubieke meters water dat in één jaar vanuit het perceel wordt afgevoerd. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van 365 dagen, wordt de drempelhoeveelheid van 250 kubieke meters door herleiding naar tijdsgelang bepaald.
3. Voor de toepassing van het tweede lid, eerste volzin wordt het aantal kubieke meters gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van 365 dagen, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald.
4. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:
**a..** watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of
**b..** bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.
5. De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die aantoonbaar niet als afvalwater is afgevoerd.
Artikel 5
Maatstaf van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2020 gemeente Utrecht