Het treasurybeleid wordt uitgevoerd binnen de volgende algemene voorwaarden:
Burgemeester en wethouders of de Gemeenteraad mogen géén leningen verstrekken, met uitzondering van de leningen die de gemeente bij de Stichting SVn (Stimuleringsfonds Volkshuisvesting) heeft ondergebracht. Hierbij is het niet van belang of het wel of niet past binnen het gemeentelijk beleid uit hoofde van de ‘publieke taak’;
Burgemeester en wethouders mogen garanties verstrekken uit hoofde van de ‘publieke taak’;
Financiering met externe financieringsmiddelen wordt zoveel mogelijk beperkt door primair de beschikbare interne financieringsmiddelen te gebruiken teneinde de renterisico’s en het renteresultaat te optimaliseren;
Er worden geen financieringen aangegaan met enkel het doel het aangetrokken geld weg te zetten tegen een hoger rendement;
De gemeente kan middelen uitzetten indien deze uitzettingen een prudent karakter hebben en niet zijn gericht op het genereren van inkomen door het lopen van overmatig risico;
Het gebruik van derivaten is niet toegestaan.
De Wet Fido geeft twee belangrijke beleidsmatige uitgangspunten voor treasury. Dit betreft enerzijds de ‘publieke taak’ waarvoor leningen en garanties dienen en anderzijds het prudente karakter van (overige) uitzettingen. Er is dus een specifiek onderscheid tussen het verstrekken van leningen ‘uit hoofde van de publieke taak’ en het uitzetten van middelen ‘uit hoofde van treasury’.
Het beleid van de gemeente Oosterhout is om geen geldleningen te verstrekken aan derden. Hierbij is het niet van belang of het wel of niet past binnen het gemeentelijke beleid uit hoofde van de publieke functie. Ons beleid is om onder bepaalde voorwaarden garanties te verstrekken aan instellingen.
De wet stelt geen eisen aan het verstrekken van leningen en garanties uit hoofde van de publieke taak. De gemeente Oosterhout kan – gemotiveerd en transparant – in principe zelf bepalen wat onder de publieke taak moet worden verstaan. Een publieke taak is een taak die in het algemeen belang wordt uitgevoerd. Hoewel de definitie zeer simpel is, is het vaak onduidelijk wat het begrip in de praktijk betekent; dit kent een spanningsveld. Van een verstrekking is sprake indien:
het doel waarvoor de garantie wordt gevraagd door B&W wordt gerekend tot die beleidsterreinen of thema’s waarvoor het gemeentebestuur zich volgens het bestuursakkoord, de begroting of andere beleidsstukken voor inzet;
er naar het oordeel van B&W een relevant maatschappelijk doel wordt gediend, en;
het afgeven van de garantie naar het oordeel van B&W ten goede komt aan de inwoners van de gemeente.
De Wet Fido geeft (in artikel 2, lid 2) aan dat bij het uitzetten van (tijdelijk) overtollige liquiditeiten en bij het gebruik van financiële derivaten sprake dient te zijn van prudent beheer. Omdat overtollige middelen alleen maar in ’s Rijks schatkist mogen worden aangehouden en het gebruik van derivaten niet is toegestaan is er te allen tijde sprake van prudent beheer.
Bij het verstrekken van garantstellingen gelden de volgende richtlijnen:
Uitgangspunt is dat de ‘publieke taak’ wordt gediend;
Garantstelling aan natuurlijke personen is niet toegestaan;
Voor het verlenen van een garantstelling wordt vóóraf toestemming van de gemeenteraad wordt gevraagd als het belang uitgaat boven € 100.000;
De garantstelling moet passen binnen de hiervoor geldende nationale en internationale kaders, waaronder de wet FIDO en de bepalingen die van toepassing zijn op staatssteun;
De garantstelling wordt alleen verstrekt indien de aanvrager onvoldoende zekerheden heeft om via een commerciële bank een geldlening aan te trekken zonder gemeentegarantie. Dit dient te worden aangetoond middels tenminste 2 offertes of bankverklaringen met daarin opgenomen de redenen waarom geen lening (tegen aanvaardbare voorwaarden) kan verstrekken zonder gemeentegarantie;
De aanvrager kan geen of slechts gedeeltelijk beroep doen op een waarborgfonds of een andere financieringsregeling. Wanneer een waarborgfonds slechts gedeeltelijk kan waarborgen, mag de gemeente maximaal voor het resterende deel een garantstelling afgeven;
Er vindt onderzoek plaats welk financieel risico het verlenen van de garantstelling met zich meebrengt en hoe deze zich verhouden tot de stand van de gemeentelijke financiën, dit ook in relatie tot het gemeentelijk weerstandsvermogen. De uitkomst van deze toets weegt zwaar mee bij het besluit over de aanvraag;
De looptijd van de lening is maximaal gelijk aan de technische levensduur van de objecten die de gemeente tot zekerheid strekken voor de verleende garantie, tot een maximum van 30 jaar. Er is sprake van een jaarlijkse aflossing op de lening;
De geldnemer is bij garantstelling een éénmalige vergoeding verschuldigd, bestaande uit 1% van het bedrag van de lening waarvoor de garantstelling wordt verleend, plus een vaste vergoeding van € 500 voor de behandelingskosten. Indien de regelgeving voor staatssteun op de garantieverlening van toepassing is, wordt een jaarlijkse rente in rekening gebracht;
De geldnemer gaat akkoord met door het college te stellen nadere bepalingen en voorwaarden voor het verstrekken van garanties.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.2.
Artikel 3.