Voor de vaststelling van de hoogte van de vervoersvergoeding wordt uitgegaan van de volgende normbedragen op jaarbasis:
voor een persoonsgebonden budget de kosten van het gebruik van een taxi geldt een normbedrag van € 3.210,-- op declaratiebasis.
voor een persoonsgebonden budget voor de kosten van het gebruik van een rolstoeltaxi geldt een normbedrag van € 4.178,-- op declaratiebasis.
De hoogte van een persoonsgebonden budget voor het aanpassen van een eigen auto wordt bepaald aan de hand van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten. Deze vergoeding bedraagt maximaal de kosten van de goedkoopst aanpasbare auto.
Als er sprake is van aanpassingskosten van de eigen auto geldt als afschrijvingstermijn van de voorziening ten minste zeven jaar. Met uitzondering van overzetbare voorzieningen wordt deze voorziening daarom slechts toegekend als de aan te passen auto tenminste een economische levensduur van zeven jaar heeft. De kosten van de noodzakelijke aanpassingen worden gebaseerd op de goedkoopst aanpasbare auto. Het persoonsgebonden budget voor de autoaanpassingen en de daarmee eventueel samenhangende kosten van onderhoud, verzekering, keuring en reparatie wordt bepaald aan de hand van door de cliënt opgevraagde twee onafhankelijke offertes, waarbij de prijs van de leverancier die de goedkoopst adequate voorziening kan leveren doorslaggevend is. De gemeente is gemachtigd om een tegenofferte op te vragen, waarbij de economisch meest voordelige uitgangspunt is voor verdere besluitvorming. De opties met betrekking tot de uitrusting van de auto, zoals automatische transmissie, stuurbekrachtiging en airco, zijn van vergoeding uitgesloten.
Collectief vervoer bestaat uit een regiotaxipas waarmee tegen gereduceerd tarief maximaal 2000 km per jaar kan worden gereisd.
De voorziening collectief vervoer wordt alleen verstrekt in natura in de vorm van een CVV pas. Een pgb is hiervoor niet mogelijk.
Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het aantal kilometers zoals bedoeld in onderdeel a en b, niet volstaat dan kan de cliënt in staat worden gesteld om meer kilometers met de CVV pas te reizen;
De pashouder betaalt gereduceerde tarieven tot maximaal 2000 km, vergelijkbaar met de tarieven van het openbaar vervoer, waarbij de zone indeling van het openbaar vervoer uitgangspunt is;
Uitgangspunt is dat 5 openbaar vervoer zones voldoende zijn voor lokale verplaatsingen. De 5 zones worden vanaf de instapzone berekend.
Voor de sociaal begeleider van de gebruiker van het collectief vervoer gelden de volgende voorwaarden:
de sociaal begeleider mag geen Wmo-geïndiceerde zijn;
de sociaal begeleider dient zelfstandig te kunnen reizen en niet aan een rolstoel of scootmobiel gebonden te zijn;
er mag maximaal één sociaal begeleider per (enkele) rit meegaan;
de sociaal begeleider reist vanaf hetzelfde opstapadres naar dezelfde bestemming;
er mogen maximaal 20 enkele ritten per jaar worden gemaakt tegen het gereduceerde tarief. Daarbuiten dient de sociaal begeleiding het volledige tarief te betalen;
de rit van de sociaal begeleider wordt gelijktijdig geboekt met dezelfde reservering als de rit van de Wmo-pashouder.
Indien noodzakelijk kan op medische gronden een tweede persoon worden geïndiceerd voor het collectief vraagafhankelijk vervoer CVV. Gronden om voor een indicatie van medisch begeleider in aanmerking te komen zijn als cliënt:
agressief gedrag vertoont;
angstig gedrag vertoont;
dwaalgedrag vertoont; of
afhankelijk is van medische handelingen tijdens de rit.
Bij een contra indicatie voor het CVV kan een reiskostenvergoeding gegeven worden van € 0,35 per km tot maximaal 2000 km per jaar.
Hoofdstuk 4.
Artikel 9
Budget vervoersvoorzieningen
Onderdeel van Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Krimpenerwaard