De deelnemers dragen ieder 50% van de vaste kosten zoals opgenomen en beschreven in de begroting die per boekjaar gepaard gaan met de uitvoering van deze regeling.
In de eerste twee boekjaren, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze regeling, dragen de deelnemers ieder 50% van de totale personele kosten zoals opgenomen en beschreven in de begroting voor het aankomend boekjaar die gepaard gaan met de uitvoering van deze regeling.
De deelnemers verstrekken in de eerste week van januari en de eerste week van juli van elke boekjaar een voorschot op de vaste kosten als bedoeld in het eerste lid van dit Artikel en van de personele kosten als bedoeld in het tweede lid van dit Artikel op basis van de begroting met betrekking tot dat boekjaar.
Na afloop van de eerste twee boekjaren, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze regeling en daarna na afloop van iedere vijf boekjaren te rekenen vanaf het derde boekjaar na inwerkingtreding van deze regeling, wordt de verdeling van de kosten als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit Artikel aan de hand van een analyse op basis van nader vast te stellen objectieve indicatoren geëvalueerd als bedoeld in artikel 30 van deze regeling.
Met betrekking tot het derde boekjaar blijft de verdeling van de kosten als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit Artikel gelden indien en voor zover in de regeling niet in een andersluidende verdeling is voorzien. Met betrekking tot ieder zesde boekjaar, te rekenen vanaf het derde boekjaar na inwerkingtreding van deze regeling, blijft de direct daaraan voorafgaande verdeling van kosten gelden indien en voor zover in de regeling niet in een andersluidende verdeling is voorzien.
Voor zover de evaluatie als bedoeld in het vierde lid van dit Artikel leidt tot een gewijzigde wijze om de kosten te verdelen, geldt die wijziging met ingang van de eerste dag van het boekjaar waarin de evaluatie die tot de wijziging heeft geleid heeft plaatsgevonden.
Hoofdstuk 4:
Artikel 15: