Een college richt een verzoek tot uittreding aan het bestuur.
Het bestuur zendt het verzoek tot uittreding onverwijld door aan de colleges en de raden van de deelnemers.
Het bestuur neemt het verzoek tot uittreding in behandeling en stelt de voorwaarden voor uittreding vast. Het bestuur spant zich in binnen zes maanden na het verzoek tot uittreding deze voorwaarden te hebben vastgesteld.
De voorwaarden die aan de uittreding verbonden worden, kunnen onder meer betrekking hebben op de financiële gevolgen, waaronder begrepen maar niet beperkt tot de verdeling van de kosten en de activa van de bedrijfsvoeringsorganisatie. Als uitgangspunt bij het stellen van deze voorwaarden geldt dat de kosten en de activa van de bedrijfsvoeringsorganisatie verdeeld zullen worden overeenkomstig de op dat moment tussen de deelnemers geldende regeling voor de verdeling van de benodigde financiële middelen als bedoeld in Artikel 14 e.v. van deze regeling.
Als er op het moment dat het verzoek tot uittreding het bestuur heeft bereikt twee gemeenten aan de bedrijfsvoeringsorganisatie deelnemen, wordt het verzoek tot uittreding in beginsel beschouwd als een verzoek om opheffing van de bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in Artikel 26 lid 1 van deze regeling.
Het bestuur kan besluiten tot het laten uittreden van een deelnemer uit de bedrijfsvoeringsorganisatie, mits ter vergadering van het bestuur blijkt dat het college van elke deelnemende gemeente een daartoe strekkend besluit, waarvan de door het bestuur vastgestelde voorwaarden voor uittreding onderdeel uitmaken, heeft genomen met toestemming van hun raden.
De uittreding kan niet eerder plaatsvinden dan op 1 januari van het tweede jaar volgend op dat waarin het in het eerste lid bedoelde verzoek is ingediend.
Hoofdstuk 6:
Artikel 24: